Friedrich Hölderlin: Oordeel & Zijn

Zijn drukt het verbondenzijn van subjekt en objekt uit.

Waar subjekt en objekt geheel en al, en niet alleen maar ten dele verenigd zijn, dus zodanig, dat men ze onder geen beding kan delen, zonder het wezen van datgene, wat gescheiden moet worden, te schenden, daar en verder nergens kan van een zijn zonder meer sprake zijn, zoals in de intellektuele aanschouwing het geval is.

Maar dit zijn moet niet met de identiteit verward worden. Als ik zeg: Ik ben Ik, dan zijn het subjekt (Ik) en het objekt (Ik) niet zo verenigd, dat men ze onder geen beding kan scheiden, zonder het wezen van datgene, wat gescheiden moet worden, te schenden; integendeel: het Ik is alleen maar mogelijk door het Ik van het Ik te scheiden. Hoe kan ik zeggen; Ik! Zonder zelfbewustzijn? Maar  hoe is zelfbewustzijn mogelijk? Daardoor, dat ik mij tegenover mezelf plaats, mij van mezelf scheid, maar ondanks deze scheiding mezelf in het tegenovergestelde als hetzelfde herken. Maar in hoeverre als hetzelfde? Ik kan, ik moet dat vragen; want in een ander opzicht is het het tegenovergestelde. Dus is de identiteit geen vereniging van objekt en subjekt, die zonder meer plaats zou vinden, dus is de identiteit niet = het absolute zijn.

Oordeel is in hoogste en strengste zin de oorspronkelijke scheiding van het in de intellektuele aanschouwing onlosmakelijk met elkaar verbonden objekt en subjekt, die scheiding, waardoor objekt en subjekt pas mogelijk worden, de oer-deling. In het begrip van de deling ligt al besloten het begrip van de onderlinge relatie tussen objekt en subjekt en de noodzakelijke vooronderstelling van een geheel, waarvan objekt en subjekt de delen zijn. ‘Ik ben Ik’ is het meest toepasselijke voorbeeld van dit begrip van de oerdeling, als theoretische oerdeling, want in de praktische oerdeling stelt het ik zich tegenover het Niet-Ik, en niet tegenover zichzelf.

Werkelijkheid en mogelijkheid zijn verschillend, zoals indirekt en direkt bewustzijn. Als ik me de mogelijkheid van iets voorstel, dan herhaal ik alleen maar het vroegere bewustzijn ervan, waardoor het werkelijkheid is. Er bestaat voor ons geen denkbare mogelijkheid, die niet werkelijkheid was. Daarom geldt het begrip van de mogelijkheid ook helemaal niet voor objekten van de rede, omdat ze nooit als datgene, wat ze moeten zijn, in het bewustzijn voorkomen, maar alleen het begrip van de noodzakelijkheid. Het begrip van de mogelijkheid geldt voor de objekten van het verstand, het begrip van de werkelijkheid voor de objekten van waarneming en aanschouwing.

Vertaling: Paul Dros

Dit stuk verscheen oorspronkelijk in Hölderlin: Oordeel en zijn | Hegel: Het oudste systeemprogramma van het Duitse idealisme, Amsterdam (Picaron) 1987. Hier opnieuw met toestemming van de uitgever, Rik Gadella. Onder voorbehoud van toestemming van de vertaler, Paul Dros, naar wie ik nog op zoek ben.

Advertenties