Filosofische zwanenzang II

Over Martin Heidegger: Schwarze Hefte, Gesamtausgabe 99 en 100


We gaan door met de lectuur van Heideggers Schwarze Hefte. Wat verwacht ik ervan? Wat hoop ik er te vinden? In de filosofische receptie van Hölderlin speelt Urtheil ind Seyn een sleutelrol. Het fragment werd voor het eerst in 1961 gepubliceerd in het kader van de Grosse Stuttgarter Hölderlin Ausgabe. Zegt Heidegger iets over deze filosofische notitie? Een andere grote dichter die aan Heidegger de weg wijst is Georg Trakl over wie hij schrijft in Unterwegs zur Sprache (GA 12). Vinden wij in de cahiers sporen van deze dichter terug? En krijgen we meer te weten over Heideggers ontmoeting met de Franse dichter René Char of met andere dichters? Blijft de poëzie haar voorname rol spelen en is de oproep tot dichterlijk wonen Heideggers laatste woord en ultieme bevel aan Europa? Ik neem met deze vragen in het achterhoofd deel 99 en 100 één voor één door.


GA 99, 1947-1950

Alhoewel ik maar al te goed besef dat het bevel afkomstig is uit de wereld van de wil tot macht ben ik toch ook bij Heidegger op zoek naar het bevel, al was het maar voor de duidelijkheid. En soms geeft Heidegger ook bevelen, of in ieder geval aanbevelingen aan zijn lezers. Maar Heidegger heeft het ook over het onbevolene. Wanneer wij ons beschikbaar stellen aan wat Heidegger de sage van het gebruik noemt, dan gehoorzamen wij aan het onbevolene. Het gedenken van het onderscheid is dus een onbevolen aanbeveling, ons laten gebruiken door het Seyn om het aan het woord te laten komen. Dat woord is echter niet het woord van de communicatie of de objectivatie, het is concentratie van de stilte. In het onbevolene dooft de wil uit en laten wij het metafysische denken achter ons. (GA 99, 8-9). Al met al een gewaagd taalspel waarin niet iedereen Heidegger zal willen volgen en dat men terecht als esoterisch kan beschouwen.

Wij zijn gewend de dingen te zien als voorwerpen, als objecten voor een subject. Die dingen bevinden zich in een neutrale ruimte en in een continue tijd. Meestal zijn de dingen producten die door mensenhand zijn gemaakt. Het aanwezige is dus meestal voorwerp, resultaat van maken en maakbaarheid. Dat is niet altijd zo geweest, en het is goed dat te beseffen. Want de mens is niet alleen producent of consument, hij is ook kunstenaar of dichter. Heidegger herinnert de lezer aan wat dichter zijn betekende in het oude Griekenland. De dichter is degene die voortbrengt en tot stand brengt. Hij brengt het aanwezende áls het aanwezende in de openbaarheid. Dat wil zeggen hij brengt de dingen uit de verborgenheid in de onverborgenheid. Er blijft dus altijd iets duisters kleven aan het zijn van waaruit de zijnden hun aanvang nemen, en die aanvang nemen zij pas door het woord van de dichter die ze benoemt waardoor ze worden tot wat zij zijn. Als ik Heidegger goed begrijp, dan kennen wij alleen de tijd van het wereldbeeld, de tijd waarin de dingen gemaakt zijn en het karakter van voorstelling hebben. Dat wereldbeeld is het eindproduct van de eerste aanvang. Die eerste aanvang was echter oneindig veel rijker. De dichter benoemt de dingen en laat ze daardoor in de onverborgenheid treden. Dat is de eerste aanvang. Begrijp ik nu Heidegger goed wanneer ik vraag of de andere aanvang opnieuw inzoomt op de duisternis en op de stilte, die aan die eerste aanvang vooraf gingen en ten grondslag lagen? Moeten wij daarnaar terug als we opnieuw willen beginnen? (GA 99, 49-50)

Daar lijkt het wel op. Het gaat om een Griekse ervaring, vergelijkbaar met de Griekse ervaringen waar Hölderlin het over heeft. Het gaat niet om God voor de schepping maar om wat Heidegger noemt dat, wat nog in zijn aankomst verblijft (“das noch in Ankunft verweilende” (GA 99, 50)). De dood schijnt daartoe ook voor ons een sleutel te bieden.

Over de dood schrijft Heidegger hier opmerkelijke dingen. Het is eerder door te sterven dan door te leven dat het zijn bij en in ons gebeurt. Volgens Heidegger moeten wij de mens niet zien als levend maar als sterfelijk wezen. Wij moeten leren denken vanuit de dood als onteigening in en als het gebeuren van zijn (“Enteignis im Ereignis” (GA 99, 62)). Meer nog, in zijn ogen heb je het Seyn al gedacht wanneer je de mens in zijn sterfelijkheid beziet. Daarmee is de dood dus de toegang tot de andere aanvang.

Opnieuw zijn we er al, maar zonder het te beseffen. Ik zou hier graag meer over hebben willen vernemen, maar meer zegt Heidegger hier helaas niet over de dood. Er is ook geen verwijzing naar Hölderlins “Leven is dood en dood is ook een leven.” Een zin die vanuit deze opvatting van Heidegger misschien beter zou kunnen worden begrepen of omgekeerd. En ook geen verwijzing naar Rilke, die zichzelf toch ondubbelzinnig ‘een leerling van de dood’ noemt. Wij zullen het moeten doen met deze korte blikseminslag en daarover mediteren en mijmeren. Er zit niet anders op. Er komt geen discursieve uitleg, geen rationele argumentatie, en ook geen dichterlijke intuïtie. Heidegger denkt hier “poëzieloos en filosofievrij”. (GA 99, 175)


GA 100, 1952/53-1957

In deel 100 gaat het opnieuw over Europa als drager van de planetaire techniek. Heidegger beschouwt nucleaire energie als het heersen van het Gestell. Kan Europa een derde macht worden, als je bedenkt dat noch Rusland noch Amerika weerstand kunnen bieden aan de planetaire techniek en in dat opzicht hetzelfde zijn? (GA 100, 153) Volgens Heidegger is Europa hoe dan ook aan het einde, niet omdat andere werelddelen de macht hebben overgenomen, maar omdat de gehele aarde Europa is geworden in en als Gestell. Dat einde is in zijn ogen geen ondergang. Europa gaat niet ten onder maar ontstaat eerst in deze planetaire Europeanisering. Dit is geen prognose maar wenk. (GA 100, 214) En dan natuurlijk Heideggers kernvraag. Misschien is nog een ander Europa mogelijk, voorbij de wereldgeschiedenis en de zijnsgeschiedenis. Daarvoor zijn terugkeer en inkeer nodig, en moet men de aanvankelijk terugkerende aankomst van de god voorbereiden. (GA 100, 215)

Hier doet Heidegger opnieuw een beroep op Hölderlin. Hij wil waarschuwen tegen het al te grote zelfvertrouwen van de historici en cultuurhistorici. Heidegger weet maar al te goed hoe deze geleerden de zijnsvraag buiten de deur weten te houden en het zicht op cultuur en geschiedenis belemmeren. Heidegger herinnert aan Hölderlin wanneer hij beweert dat wij wel praten over historische gebeurtenissen en maatstaven, maar wij weten niet wat geschiedenis wezenlijk is, laat staan of er op aarde een maatstaf is. (GA 100, 74) Een duidelijke verwijzing naar Hölderlins: In lieblicher Bläue… Begin van de tweede strofe: “Giebt es auf Erden ein Mass?”. Dit gedicht uit Hölderlins waanzinstijd wordt dus niet zoals meestal gemarginaliseerd en terzijde geschoven maar beschouwd als grondtekst om over geschiedenis en geschiedenisfilosofie na te denken. Zoals gewoonlijk pakt Heidegger een zinsnede van Hölderlin op, maakt er op eigen gezag een stelregel van, voorziet die van een eigen context en betekenis, en monteert haar in zijn eigen tekst. Deze aanpak heeft bij veel Hölderlin-Forscher weerstand opgeroepen. Toch ziet Heidegger in Hölderlin iets dat maar weinig anderen zien. Voor literatuurwetenschappers is Hölderlin object van onderzoek – daaraan is niets verkeerd. Voor de filosoof Heidegger echter is Hölderlin  subject en drager van een nieuw denken waarvoor Heidegger de weg wil banen. Dat nieuwe denken gaat veel verder dan wat men gewoonlijk onder wijsbegeerte verstaat. Het is de zwanenzang van de filosofie die nadat zij de eerste aanvang achter zich heeft gelaten op zoek gaat naar een andere aanvang. In mijn ogen zeker een legitiem procedé, als je het maar weet en beseft. Bovendien doet Hölderlin precies hetzelfde met Pindarus!

Een verrassende en schokkende opmerking gaat over Hölderlins tijdgenoot en vriend Hegel. Voor Hegel is de waarheid een fase in het dialectische proces van het absolute begrip. Heidegger probeert te begrijpen dat het zijn zich zo aan Hegel presenteert maar zich áls zijn tegelijkertijd onttrekt. Dat is iets dat wel Heidegger, maar Hegel zelf niet kan zien. De namen staan voor het denken. Voor Heidegger is waarheid iets anders dan presentie voor representatie. Dialectiek lijkt de zelfbeweging van het absolute, maar is – en nu komt het schokkende – in werkelijkheid het verwoestende nihilisme van het denken. Denken moet weg van het voorstellen. (GA 100, 242-243) Ik zou deze opmerking van Heidegger zo willen interpreteren dat hij zegt dat er eigenlijk geen verschil bestaat tussen dialectiek en technologie. In beide gevallen gaat het om een beweging waarin men zich de zijnden toe-eigent, ze overweldigt en in bezit neemt. Het zijn van de zijnden komt als oorsprong en totaliteit maar niet als zodanig in de blik, de zijnsvraag wordt niet gesteld en daarom is er in Heideggers ogen sprake van nihilisme. Het zijn telt hier als niets en heeft zich onttrokken. Het is welhaast ondenkbaar geworden. Daarom is voor Heidegger het absolute niet de opgave van het denken. Voor hem is het ondenkbare de opgave. Het ligt voorbij het voorstelbare in dialectiek en representatie. (GA 100, 249) Tegen Hegels dialectische denken brengt Heidegger Hölderlins Andenken in het geweer. Aandenken helpt tegen zijnsvergetelheid. Het helpt in ieder geval om de zijnsvergetelheid als zodanig te ervaren. (GA 100, 282)

Wat kondigt nu het andersaanvankelijke denken aan? Waaruit blijkt dat een ander denken dan dat van manipulatie (Machenschaft) en bestanden (Gestell) mogelijk is? Heidegger is op zoek naar een onmiddellijke ervaring van het zijn áls zijn. Is zoiets überhaupt mogelijk? Volgens Heidegger ligt het onmiddellijke buiten wat zich laat meedelen maar staat het niet buiten de taal. Het is ervaarbaar maar niet communiceerbaar. Communicatie betekent immers toe-eigening. Heidegger houdt eraan vast dat het onmiddellijke de gebeurtenis (Ereignis) is waarin het Gestell ten einde loopt. Het wezen van de taal is sterker dan welke uitspraak of uitdrukking ook maar. (GA 100, 21-22) Hier toont zich Heideggers vertrouwen in de taal en in het dichterlijke wonen. Hierop beroept hij zich wanneer hij het metafysische denken achter zich wil laten. Het is voor hem de enige uitweg.


Het dossier sluiten?

De verzamelde werken zijn afgesloten, de delen die op mijn denkweg lagen heb ik gelezen en bestudeerd. Hoe moet ik nu dit denken beoordelen? Lastige vraag want er zijn geen andere criteria dan die dit denken zelf aanreikt. Bovendien zei Hölderlin  al dat er op aarde geen maat is. Waaraan ontleent voor mij Heidegger zijn bijzondere positie? Ik denk dat hij meer dan anderen de filosofie zelf in een crisis heeft gebracht. Het belang van het vak wijsbegeerte is door niemand zo zeer naar voren gebracht maar ook zo diepzinnig gekritiseerd als door hem. Daarmee heeft hij de grootste vleugelwijdte. Hij omspant gewoon meer dan de anderen. Daarom kun je volgens mij niet om hem heen. Het dossier Heidegger kunnen wij beter nog maar niet sluiten.

Ook al omdat, zelfs al zouden wij het dossier sluiten, het bevel van Heidegger van kracht blijft. Dat bevel luidt: Stel de zijnsvraag! Bedenk het onderscheid tussen Seyn en zijn! Speur naar het spoor van de differentie in beeldende kunst en poëzie! Nu kan men ieder bevel tiranniek opleggen en van de mooiste ideeën een instrument van repressie maken. Bedenk dus dat het om een onbevolen bevel gaat, om het onbevolene dat voorbij de metafysica en voorbij de wil tot macht ligt, en waaraan Europa de andere aanvang als een nieuwe opdracht kan ontlenen.


In voorbereiding: Filosofische zwanenzang III over Heideggers Schwarze Hefte, Gesamtausgabe 101 en 102.