Heidegger Dossier

Een terugblik op Afscheid van wat nooit geweest is en op mjn publicaties over Heideggers filosofie

In het fictieve interview met Martin Heidegger over deze website Het Absolute heeft de grote denker mij gevraagd zijn Schwarze Hefte te lezen met het oog op de rol die de dichter Hölderlin daarin speelt. Ik ben inmiddels met de lectuur begonnen en verrast door de heftigheid waarmee Heidegger uiting geeft aan zijn gevoelens. Ook ben ik onder de indruk van zijn sigetica, van zijn leer van het zwijgen.

Alvorens met de lectuur verder te gaan heb ik mij bezonnen op de betekenis die Heidegger tot nu toe voor mij heeft gehad en heb ik op een rijtje gezet waar ik tot nu toe in mijn onderzoek naar Heidegger ben gekomen. Tevens een mooie gelegenheid om stil te staan bij mijn boek Afscheid van wat nooit geweest is, dat dertig jaar geleden verscheen en dat de eerste fase van mijn Heidegger-receptie markeert.

1981

Ik ben niet begonnen met over Heidegger te publiceren. Mij  eerste publicatie was mijn dissertatie over Nietzsche uit 1981. Eind jaren zeventig was ik van Leiden naar Amsterdam overgestapt. Filosofie in Leiden betekende dat je van alles wat moest bestuderen: een beetje continentaal, een beetje Angelsaksisch, een beetje geschiedenis, een beetje systematiek, Maar ik wilde me vooral bezig houden met Schelling, Nietzsche en Heidegger. In samenspraak met de docenten mocht ik aan de Universiteit van Amsterdam een programma helemaal op maat samen stellen.

In die tijd was filosofie iets clandestiens. Je praatte er niet met anderen over, en zeker niet met familie. Wijsbegeerte was underground. Op een door studenten georganiseerd filosofisch festival  kwamen destijds hoogstens 80 mensen af. Tegenwoordig trekt het Amsterdamse filosofiefestival Drift meer dan 800 bezoekers. Filosofie is razend populair geworden.

Vroeger gebeurde alles in de wijsbegeerte op een veel kleinere schaal. Maar toen al wilde men aan de Universiteit van Amsterdam de schaal vergroten, en één van de manieren om dat te doen was Franse filosofie op het programma zetten. Hubert Dethier gaf destijds colleges over Althusser, Lacan en Lévi-Strauss, en hij zocht een assistent om Foucault, Deleuze & Guattari en Derrida voor het voetlicht te brengen.

Men was erg gefascineerd door Foucault, maar slaagde er niet in tot de kern van zijn denken door te dringen omdat men Nietzsche niet kende of met vooringenomen blik bekeek. Dethier vroeg me zijn assistent te worden, de Nietzsche-achtergrond te belichten en zo Foucault voor de studenten te ontsluiten. Op deze wijze is mijn proefschrift  Macht en verlangen. Nietzsche en het denken van Foucault, Deleuze & Guattari ontstaan.

1985

Ik had teksten van Heidegger tijdens mijn Leidse studententijd gelezen en had als assistent aan het Amsterdamse Instituut voor Esthetica werkcolleges over zijn denken verzorgd. De neerslag van deze lectuur vindt men in mijn tweede boek Afscheid van wat nooit geweest is.

Afscheid van wat nooit geweest is

Uitgever Erich Konstapel ontwierp voor dit boek een prachtig omslag dat in één oogopslag duidelijk maakt waar het hier om gaat. Hij liet zich inspireren door een pakje shag van het merk Javaanse Jongens, alleen liet hij de mensen weg. Zo ontstond een landschap zonder figuren waarin het zandkleurige geel van de woestijn contrasteert met de azuren leegte van de hemel. Het geheel wordt bij elkaar gehouden door een roden lijst, die staat voor de radicaliteit die ik in dit boek heb nagestreefd.

Dit boek is in alle opzichten het tegendeel van mijn proefschrift Macht & Verlangen dat vier jaar eerder was gepubliceerd. Dat boek was bestemd als goed toegankelijke inleiding tot Nietzsches denken als achtergrond van de contemporaine Franse filosofie, en bedoeld als studieboek voor studenten. Afscheid van wat nooit geweest is beoogde eigenlijk helemaal geen communicatie met wie dan ook, en het boek werd dan ook in de pers gekritiseerd als een boek waarvoor de ander of de Ander niet bestaat. En die kritiek is terecht. Het boek gaat over de eenzaamheid van het denken en de denker.

Heideggers grote tweedelige boek over Nietzsche (thans GA 6) stond in het middelpunt van mijn onderzoekingen. Is het mogelijk het nihilisme nog verder te doordenken dan ieder op hun eigen wijze Nietzsche en Heidegger hebben gedaan? Is het niet zo dat ik telkens wanneer ik probeer de laatste gronden te naderen moet inzien dat zij zich onttrekken, en dat zij er misschien wel nooit zijn geweest? Wordt juist in het afscheid niet de gehele traditie van de metafysica weer actueel? Heeft Hölderlin niet gelijk wanneer hij woorden voor dit afscheid zoekt en poëzie schrijft in het spoor van de verdwenen goden? Dertig jaar later kan ik de vragen die ik mij destijds stelde alleen maar nog meer met ja beantwoorden.

De eenzaamheid van de denker heeft niet alleen te maken met de eigen aard van de opgave die het denken hem stelt maar ook met zijn omgeving, en in het bijzonder met de instituties in zijn omgeving. Want in de tijd dat ik dit boek schreef werd mij allengs duidelijk dat voor mij de universiteit niet meer de plek voor de filosofie is. De stipendia die ik na mijn afscheid van de universiteit heb ontvangen, gaven mij alle gelegenheid buiten academische kaders onderzoek te verrichten en te denken.

Stipendium Fritz Thyssen Stiftung 1985-1986

Waarom na aanvankelijke aarzeling voor Heidegger gekozen? Vanwege Hölderlin. Leidend bij mijn onderzoek was wat Heidegger bijdraagt aan een beter begrip van die dichter, en waarin zijn duiding overeenstemt en verschilt met die van de Hölderlin-Forschung. Maar bovenal hield de vraag mij bezig of Heidegger gelijk heeft wanneer hij stelt dat er geen toekomst is voor de filosofie, behalve via Hölderlin.

Voor Heidegger is denken op de eerste plaats aandenken. Dat heeft hij van Hölderlin. Het denken denkt aan het zijn. Het is van het zijn gescheiden (differentie), maar kan zich wel aan het zijn herinneren (spoor). Door zich het zijn te herinneren wordt het voor het denken en voor de denker mogelijk zich te ontwerpen (mijn latere link met de architectuur).

De vraag is nu echter of het zijn dat niet door het denken is gesteld (athetisch) en het denken overstijgt (transreflexief), waarover Hölderlin spreekt hetzelfde zijn is als waarover Heidegger spreekt. De Hölderlin-Forschung (aangevoerd door Dieter Henrich) ziet Hölderlin als toebehoren aan het Duitse Idealisme. Hölderlins filosofie heeft haar grond in een bewustzijn dat het eigen zijn opvat vanuit een spinozistisch gekleurd Platonisme. De liefde verenigt idee en werkelijkheid, en Hölderlins Hyperion versmelt met de natuur op een dusdanige wijze dat men eigenlijk niet eens verschil kan maken tussen leven en dood. Dat geldt in ieder geval voor de Hölderlin tot 1800.

Hier is Heidegger niet in geïnteresseerd. In zijn ogen zijn het de latere gedichten van Hölderlin die het idealisme overstijgen en daarmee de metafysica verlaten. Laten zien hoe Hölderlin dat volgens Heidegger doet was in deze jaren 1985-1986 mijn voornaamste onderzoeksopdracht. (1) De belangrijkste delen uit Heideggers Gesamtausgabe die ik in deze tijd heb onderzocht zijn de collegedictaten over Hölderlins na 1800 geschreven gedichten Germanien en Der Rhein (GA 39,1980), over Andenken (GA 52, 1982) en over Der Ister (GA 53, 1984). Met de publicatie van het Abendländisches Gespräch (GA 75, 2000) en van de Schwarze Hefte (tot nu toe GA 94-97, 2014-2015) is die vraag naar Hölderlins verlaten van de metafysica en naar een andere aanvang voor het denken opnieuw actueel geworden. En daarmee ook de vergelijking tussen Heideggers aanpak en die van de veeleer historisch-kritisch opererende Hölderlin-Forschung.

Stipendium Mondriaan Stichting 1988-1990

Voor Heidegger is ontwerpen een belangrijk begrip. Je kunt anticiperen op wat er gaat gebeuren en je kunt op basis van zelfkennis beslissen hoe je lot en je wil het beste samenkomen. Toch heeft Heidegger hier aarzelingen bij. Het ontwerpen moet niet worden begrepen alsof wij ons bestaan zelf in de hand hebben en alsof wij alles kunnen inrichten overeenkomstig onze voorstellingen. Altijd hebben wij het zijn in de rug, dat altijd al een aantal belangrijke beslissingen voor ons heeft genomen, bijvoorbeeld dat wij ons bestaan helemaal niet buiten de wereld van de arbeid (Hegel en Marx) of buiten de wereld van de macht (Nietzsche en Jünger) kunnen voltrekken.

Maar wat is dan de speelruimte voor de mens om zijn bestaan te ontwerpen en hoe kunnen architecten ons helpen ontwerpen beter te begrijpen? Die vraag werd voor mij actueel, evenals de omgekeerde vraag: kan filosofie architecten helpen betere ontwerpen te maken? Heidegger speelde in dit project overigens geen hoofdrol. Die was eerder voor Ernst Jünger weggelegd. Maar toch kwam Heidegger aan de orde vanwege zijn filosofie van het wonen en vanwege zijn rijke architectuurmetaforiek, bijvoorbeeld als het om het funderen gaat. Deze architectuurmetaforiek was onderwerp van forse kritiek van de kant van Derrida en van de kant van het deconstructivisme dat zich in die jaren zowel in de architectuur als in de filosofie manifesteerde. (2)

In de notities over Empedokles in GA 75 steekt de architectuurmetaforiek opnieuw de kop op. Het gaat weer over funderen. Heidegger kenschetst hier Empedokles als de stichter die sticht, der Gründer, der gründet. Ik heb hier veel vragen bij. Want uiteindelijk fundeert Hölderlins Empedokles de democratie op het zelfbeschikkingsrecht over het eigen leven, en stort hij zich in de Etna om een nieuwe democratie te grondvesten. Anders dan Hölderlin heeft Heidegger echter niet zo veel op met democratie.

Empedokles is arts en civiel ingenieur. Zeker geen architect zoals wij die kennen, maar beslist een stedenbouwer ook in de moderne zin van het woord. Iemand die de loop van een rivier verlegt om in de stad voor betere hygiënische omstandigheden te zorgen. Ik wil Heideggers Schwarze Hefte onderzoeken vanuit de werkhypothese dat Empedokles voortdurend in die notities aanwezig is, zonder dat Heidegger hem met name noemt. Heidegger wil van het zijnde naar het zijn springen, en ziet zichzelf daarbij als een herder die over de afgrond springt. Misschien is Empedokles voor Heidegger toch niet zo’n groot voorbeeld omdat hij in de afgrond springt? En wordt hier niet opnieuw een overeenkomst, maar toch ook een verschil duidelijk tussen Heidegger en de Hölderlin van omstreeks 1800?

Tijdens mijn werk als manager 1997-2009

De tot nu toe laatste fase van mijn bezigheid met Heidegger vond plaats in de marge van mijn werk als onderwijs- en overheidsmanager. Voor het eerst werd Sein und Zeit (GA 2) voor mij belangrijk. Vooral de kenschets van het Dasein als een naakt dat in het niets van de wereld sprak mij aan. Angst – een belangrijk thema in Sein und Zeit – speelt volgens mij een belangrijke rol in organisaties en vormt de poort tot verandering. Voor managers in organisaties met een veranderopdracht leek mij dit een belangrijk inzicht. Het artikel met de titel Existentieel Management dat ik over dit onderwerp schreef, heeft van al mijn publicaties de meeste weerklank gevonden. Het verscheen eerst in het tijdschrift Filosofie & Praktijk (1996), daarna in Filosofie in Bedrijf (2002) en vervolgens in het Engels in Critical Perspectives on International Business (2006). De twee drukken van Filosofie & Leiderschap brengen eveneens deze tekst (2005 en 2011).

2015

Maar nu moet ik vaststellen dat het mij er niet meer om gaat te laten zien hoeveel Heidegger voor ons kan betekenen en die betekenis uit te laten waaieren over verschillende praktijken en disciplines. Tegenwoordig gaat het mij erom te begrijpen wat Heidegger onder Ereignis ( GA 71) verstaat, waarom bezinning (GA 66) voor hem zo belangrijk is en hoe hij met zijn denken heeft geprobeerd de schokken van het interbellum en de Tweede Wereldoorlog op te vangen. We zullen zien dat ook hier Hölderlin voor hem de grote leidsman is. (3)

Noten

1.

Publicaties die uit dit onderzoeksstipendium voortkwamen waren onder andere Tragedie en differentie bij Hölderlin en Heidegger (1987) en Heidegger. Een meester van de ambivalentie (1988).

2.

Publicaties uit dit onderzoeksstipendium waren onder andere de boeken Tussen architectuur en filosofie (1992) en Lessen in ontheemding (1993).

3.

Bij mijn behandeling van de Schwarze Hefte zal ik niet ingaan op het in deze notities aanwezige antisemitisme. Daarover wordt een heftige polemiek gevoerd. Wel verwijs ik graag naar enkele bakens in deze discussie:

Donatella di Cesare; Heidegger, das Sein und die Juden, Information Philosophie, 2014 | 2, S. 8-21.

Donatella di Cesare: Heidegger, die Juden, die Shoah, Frankfurt a.M. 2015.

Peter Trawny: Heidegger und der Mythos der jüdischen Weltverschwörung, Frankfurt a.M. 2014.

Peter Trawny: Irrnisfuge. Heideggers An-archie, Berlijn 2014.

Van de reacties op Peter Trawny noem ik Karl Payer en Silvio Vietta.

Wie op de hoogte wil worden gehouden van de polemiek verwijs ik naar de Facebookgroepen Schwarze Hefte.Heidegger. en Heidegger, les Cahiers noirs.

Advertenties