Het oudste systeemprogramma van het Duitse Idealisme

een ethica. Aangezien de hele metafysica voortaan onder de moraal valt (waarvan Kant met zijn beide praktische postulaten slechts een voorbeeld heeft gegeven, en niets uitputtend behandeld heeft), zal deze ethica niets anders dan een volledig systeem van alle ideeën zijn of, wat hetzelfde is, van alle praktische postulaten. De eerste idee is natuurlijk de voorstelling van mijzelf als een absoluut vrij wezen. Met het vrije, zelfbewuste wezen komt tegelijk een hele wereld – uit het niets te voorschijn – de enige ware en denkbare schepping uit niets. – Hier zal ik mij op het gebied van de fysica begeven; de vraag is deze: Hoe moet een wereld voor een moreel wezen eruit zien? Ik zou graag onze langzame, aan de hand van experimenten moeizaam voortschrijdende fysica weer eens vleugels geven.

 

Zo – als de filosofie de ideeën en de ervaring de gegevens aanreikt, kunnen we eindelijk de fysica in ’t groot krijgen, die ik van latere tijden verwacht. Het lijkt er niet op, dat de huidige fysica een creatieve geest, zoals de onze is of behoort te zijn, kan bevredigen.

 

Van de natuur kom ik op het mensenwerk. Met de idee van de mensheid op de eerste plaats – wil ik aantonen, dat er geen idee van de staat bestaat, omdat de staat iets mechanisch is, net zo min als dat er een idee van een machine bestaat. Slechts wat objekt van de vrijheid is, heet idee. Wij moeten dus ook boven de staat uit! – Want elke staat moet vrije mensen als mechanisch raderwerk behandelen; en dat mag niet; dus moet aan de staat een einde komen. U ziet vanzelf, dat hier alle ideeën over de eeuwige vrede enzovoort ondergeschikt zijn aan een hoger idee. Tegelijk wil ik hier de principes voor een Geschiedenis van de mensheid vastleggen en het hele ellendige mensenwerk van staat, grondwet, regering en wetgeving – tot op het bot blootleggen. Uiteindelijk komen de ideeën van een morele wereld, godheid, onsterfelijkheid – afrekening met alle bijgeloof, vervolging van de priesterlijke stand, die sinds kort redelijkheid veinst, door de rede zelf. Absolute vrijheid van alle geesten, die de wereld van het intellekt in zich dragen en God noch onsterfelijkheid buiten zichzelf hoeven zoeken.

 

Tenslotte de idee, die alle andere verenigt, de idee van de schoonheid, in hogere, platonische zin. Ik ben ervan overtuigd, dat het hoogste waartoe de rede in staat is, – namelijk het omvatten van alle ideeën – van esthetische aard is en dat waarheid en goedheid slechts in de schoonheid nauw aan elkaar verwant zijn. De filosoof moet evenveel esthetische kracht bezitten als de dichter. De mensen zonder esthetisch gevoel zijn onze studeerkamerfilosofen. De filosofie van de geest is een esthetische filosofie. Men kan op geen enkel gebied spiritueel zijn, zelfs over geschiedenis kan men niet een spiritueel betoog houden – zonder esthetisch gevoel. Hier moet duidelijk worden, waar het eigenlijk die mensen aan ontbreekt, die geen ideeën begrijpen – en trouwhartig genoeg bekennen, dat hun alles duister is, zodra het het niveau van tabellen en registers te boven gaat.

 

De poëzie stijgt daardoor in waardigheid, uiteindelijk wordt zij weer, wat ze aanvankelijk was – lerares der mensheid; want er bestaat geen filosofie, geen geschiedenis meer, de dichtkunst alleen zal overige wetenschappen en kunsten overleven.

 

Tegelijkertijd horen we zo vaak, dat de grote massa een zintuiglijke religie moet hebben. Niet alleen de grote massa, ook de filosoof heeft daaraan behoefte. Monotheïsme van de rede en het hart, polytheïsme van de verbeeldingskracht en de kunst, dat is, wat we nodig hebben!

 

Eerst zal k hier een idee bespreken, dat, voorzover ik weet, nog bij niemand is opgekomen – wij moeten een nieuwe mythologie hebben. Deze mythologie echter moet in dienst van de ideeën staan, het moet een mythologie van de rede worden.

 

Voor we de ideeën esthetisch, dat wil zeggen mythologisch maken, zijn ze voor het volk van geen belang, en omgekeerd: voor de mythologie redelijk is, moet de filosoof zich voor haar schamen. Zo moeten uiteindelijk verlichte en onverlichte geesten elkaar de hand reiken, de mythologie moet filosofisch worden om het volk redelijk te maken en de filosofie moet mythologisch worden, om de filosofen zintuiglijk te maken. Dan zal er eeuwige eenheid onder ons heersen. Nooit meer de verachtende blik, nooit meer het blinde sidderen van het volk voor zijn wijzen en priesters. Dan pas staat ons gelijke ontwikkeling van alle krachten te wachten, van de enkeling, zowel als van alle individuen. Geen kracht zal meer onderdrukt worden, dan zal er algemene vrijheid en gelijkheid der geesten heersen! – Een hogere geest, door de hemel gezonden, moet deze nieuwe religie onder ons stichten, zij zal het laatste, grootste werk van de mensheid zijn.

 

Vertaling: Paul Dros

Dit stuk verscheen oorspronkelijk in Hölderlin: Oordeel en zijn | Hegel: Het oudste systeemprogramma van het Duitse idealisme, Amsterdam (Picaron) 1987. Hier opnieuw met toestemming van de uitgever, Rik Gadella. Onder voorbehoud van toestemming van de vertaler, Paul Dros, naar wie ik nog op zoek ben.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s