L’Unique. Spiritualiteit bij Hölderlin en Bram van Velde

Mijmeringen en bespiegelingen

 

In 1973 verscheen bij de Parijse uitgeverij en galerie Maeght L’Unique. Het gaat hier om een kostbaar kunstenaarsboek in een beperkte oplage met de Franse vertaling van Hölderlins hymne Der Einzige door André du Bouchet met zes litho’s door de van oorsprong Nederlandse kunstenaar Bram van Velde.

 

Ik beschouw dit boek als het mooiste boek dat ik ooit heb gezien en wil proberen onder woorden te brengen wat precies Hölderlin in deze hymne uit de jaren 1801-1803 zegt en wat zij bijdraagt aan het thema spiritualiteit. Wat zou van Velde en du Bouchet ertoe hebben gebracht uitgerekend voor deze tekst te kiezen?

 

Dit boek is voor mij zo belangrijk omdat het als voorbeeld en referentie heeft gediend bij mijn eigen vertaling van Hölderlins stukken over Sophokles en Pindarus, geïllustreerd door Marcel Wesdorp en samen met hem gepubliceerd op de website Bewijsbare mythen.

 

Bij wijze van voorstudies tot dit artikel heb ik twee stukken gepubliceerd op mijn blog Het ene ja, een boekbespreking over André du Bouchet en Paul Celan als vertalers van elkaars werk, en een beschouwing over André du Bouchets taalfilosofie, zoals hij die heeft ontwikkeld in twee lezingen over de poëzie van Hölderlin.

 

 

 

De eerste versie van Der Einzige

 

In de verantwoording van L’Unique wordt vermeld dat alle drie de versies van Hölderlins gedicht Der Einzige worden afgedrukt. Ik vermoed dat du Bouchet heeft vertaald naar de Grosse Stuttgarter Ausgabe omdat in die uitgave ook drie versies zijn gepubliceerd, en wel aansluitend en direct na elkaar. Dat is niet in alle edities het geval. In de tijd dat de vertaling tot stand kwam, gold deze uitgave als de meest gezaghebbende. Die reputatie heeft ze tot op de dag van vandaag. Concurrentie kwam pas met de onlangs voltooide Frankfurter Hölderlin Ausgabe, die in 1975 van start ging. Ons boek verscheen in 1973.

 

In de eerste versie van ons gedicht vraagt het dichterlijke ik zich af waarom het meer van Griekenland houdt dan van zijn eigen vaderland. De dichter heeft het gevoel in hemelse gevangenschap te verkeren wanneer hij zich verbeeldt in de wereld van de Griekse goden te verkeren.

 

In die tijd bracht Zeus niet alleen een hoop kinderen voort, maar ook grote zielen en hoge gedachten. De dichter raakt in vervoering wanneer hij daaraan denkt en fantaseert dat hij Griekse steden en landschappen voor zich ziet en bezingt.

 

Maar toch ontbreekt er iets, één iemand zoekt hij, en wel Christus. Der Einzige is een Chistus-hymne met een bijzondere en afwijkende opvatting van hem. De dichter schaamt zich en neemt zichzelf kwalijk dat hij zo weinig oog voor hem heeft gehad. Niemand van de Grieken kan iets over hem kan zeggen. Hij mist hem.

 

En dan komt Hölderlins hoogst eigenzinnige en oorspronkelijke visie. Hij beschouwt Christus als één van de Griekse (half)goden en stelt hem op één rij met Herakles en Dionysos, die net zoals hij de boel opruimden, beschaving brachten en de mensen hielpen waar zij maar konden. Dionysos is ook goed met Christus te vergelijken, omdat ook hij een god was van brood en wijn, zoals een beroemde elegie van Hölderlin heet. Brod und Wein is van 1800, Der Einzige van 1801-1803.

 

Toch is er wel een verschil. Herakles en Dionysos zijn helemaal van deze wereld, Christus wijst verder naar een andere wereld, naar het hiernamaals. Het dichterlijke ik heeft het er maar moeilijk mee. Hij weet niet goed hoe hij precies de verstandhouding tussen deze drie moet opvatten en heeft het gevoel dat hij de juiste maat niet kan vinden. Voor Jezus, anders dan voor Herakles en Dionysos, was deze wereld niet het einde. Christus was op aarde zoals een gevangen adelaar. Met deze aardse gevangenschap van Christus correspondeert de hemelse gevangenschap van de dichter waarover het dichterlijke ik aan het begin van de hymne sprak.

 

De eerste versie sluit af met een pantheïstisch visioen. Taak van de dichter is antieke wereld en christendom met elkaar te verzoenen. Niet een nieuw polytheïsme is beoogd, maar de wederzijds doordringing van geest en wereld. De dichter situeert zich als schakel in het werk van de Verlosser en de verlossers, en probeert een nieuwe synthese te brengen. Ter verheldering denk ik daarbij aan de hoge opgave van de Europese cultuur sinds de renaissance zoals die door Rafaëls fresco’s van de School van Athene enerzijds en van het Dispuut over het Heilig Sacrament anderzijds wordt verzinnebeeld: humanisme en christendom op de juiste wijze samenbrengen en verzoenen. Hölderlin staat in deze traditie en neemt daarin een geheel eigen positie in.

 

De titel Der Einzige kunnen wij nu vanuit Hölderlins tekst verklaren met dat Christus de enige god is die geest is. Hij bepaalt vanuit de geest dat het menselijke leven in en als  geschiedenis verloopt en geeft aan het einde van de geschiedenis zijn laatste oordeel met uitzicht op eeuwig leven na de dood. Met zijn verscheiden uit dit leven is de geschiedenis als lineair gebeuren eigenlijk pas ontstaan, voor de Grieken was de tijd circulair (de tijd van de seizoenen) en wachtte na de dood ons alleen maar een schimmenrijk in de onderwereld. Door Christus hebben wij niet alleen uitzicht op een bestaan in en als historie maar ook op een bestaan in uitwisseling met de geest, met de Heilige Geest die zich in de geschiedenis openbaart en waar dat mogelijk is vrede sticht en ervoor zorgt dat de mensen elkaar kunnen begrijpen. Zo ongeveer zou ik vanuit de tekst het unieke van Christus willen verklaren, maar je kunt ook denken aan de unieke gebeurtenis van de wederopstanding uit de dood en daarmee aan de overwinning op de dood of aan uitspraken als “Ik ben de weg, de waarheid en het lieven. Niemand komt tot de vader dan door mij.”

 

In ieder geval is er een groot verschil tussen Christus en de antieke wereld, ook al vergelijkt Hölderlin hem met Herakles en Dionysos en ook al is er een grote overeenkomst tussen Dionysos en Christus vanuit de eucharistie, vanuit de centrale symbolische betekenis van brood en wijn als een spoor naar het heilige. Maar er is meer dan brood en wijn om Christus toch als de laatste Griekse (half)god te beschouwen, namelijk dat zowel hij als Herakles en Dionysos zijn verwekt door God de vader (Zeus is ook een vadergod) en gebaard door een sterfelijke vrouw. En net zoals de Griekse goden zijn verdwenen is ook Christus weggegaan en ten hemel opgestegen. Ten aanzien van de Griekse goden is alleen de herinnering gebleven, Christus echter compenseert zijn afwezigheid met de Heilige Geest. In Hölderlins ogen is het goddelijke op aarde verdwenen, is alles wat voor de mens doorslaggevend is of zou moeten zijn, is het goddelijke absent, en is het de taak van de dichter de mensen bij te staan in die afwezigheid van de norm, in de spirituele zoektocht naar de norm. De wereld verliest aan lichamelijkheid en wordt geestelijk, het leven verliest aan concreetheid en wordt abstract, de dingen worden minder zintuiglijk en de geschiedenis wordt een proces van vergeestelijking. Christus is niet meer op aarde, maar gelukkig hebben we de dichter, die ons helpt de vlam brandende te houden.

 

Spiritualiteit bij Hölderlin is leren omgaan met de afwezigheid van het goddelijke en met het ontbreken van het heilige als fundament voor de wet, de norm en de maat en daarmee voor gemeenschap en maatschappij, voor het sociale als zodanig. Hölderlin ziet dus heel goed het ongefundeerde van het huidige bestel. Nihilisme is zijn basiservaring. God is niet dood, maar openbaart zich door zich te onttrekken. Een gedicht van Hölderlin is daarmee een document van de Heilige Geest.

 

 

 

De tweede versie van Der Einzige

 

De tweede versie begint zoals de eerste, maar gaat dieper in op Dionysos. Hij is de god van de roes en kan zich destructief uiten. Maar bij Hölderlin is dit net als in de Griekse mythologie zelf alleen maar de oppervlakteverschijning van deze god. Hij zorgt er immers ook voor door brood en wijn de mensen met elkaar te verbinden en is daardoor wetgever en cultuurstichter. Juist omdat hij de destructieve krachten van de roes zo goed kent en weet hoe je daar mee om moet gaan, is hij bij uitstek de god die de doodsdrift tegen houdt, vernieling en zelfdestructie tegenwerkt, de maat stelt en de mensen aanstuurt het leven te behouden, grenzen te stellen en de beschaving te cultiveren. Iedereen is iemand voor zich op basis van deze aansturing.

 

De Griekse cultuur was daarom zo superieur omdat zij ertoe in staat was de krachten die de mens kunnen overweldigen te bannen in het kunstwerk. Daardoor konden zij die krachten draaglijk en hanteerbaar maken. Helaas zijn zij doorgeslagen en is hun vormgevende kracht hoe langer hoe minder vruchtbaar geworden en hoe langer hoe meer verstard geraakt. De dionysische roes is in vergetelheid geraakt en het lot dat in de tragedie nog zo tastbaar aanwezig was, heeft zich teruggetrokken en de mensen aan zichzelf en elkaar overgelaten. Zij gaan hoe langer hoe meer hun eigen gang en ontwerpen zelf hun eigen bestaan. De kunst verliest haar verbeeldingskracht en het gezang verstomt. In Hölderlins opvatting van de geschiedenis is dit het ogenblik waarop Christus zijn intrede doet, hij is voor hem minstens evenzeer een figuur uit de Griekse oudheid als poort tot onze tijd. Hij lost de impasse van de oudheid op.

 

 

 

De derde versie van Der Einzige

 

Je zou verwachten in de derde versie meer over Jezus te horen, maar Hölderlin gaat verder door zijn schaamte nog meer te overwinnen en nog sterker de overeenkomst tussen Christus en Dionysos te benadrukken. Hij zegt zelfs dat Christus en Dionysos dezelfde vader hebben. Daarmee wordt geschiedenis wel tot een hechte en eenduidig kenbare eenheid gesmeed en ontstaat een vloeiende overgang tussen oudheid en moderniteit. Bij Hölderlin ontbreekt een beeld van de middeleeuwen.

 

Waarin bestaat die overeenkomst nu precies? Dionysos heeft de mens de weg gewezen uit de wildernis naar de landbouw en daarmee naar de beschaving. Hij zorgt ervoor dat wij niet blijven dwalen maar wijst ons de weg naar de aarde als plek die de mens moet hoeden om te kunnen leven. Hij is de god van de aarde. Christus doet iets soortgelijks. Ook hij heeft in de wildernis, in de woestijn geleefd en heeft daar de confrontatie met de hemel en het gesternte gezocht om met toestemming van God de mensen de weg te wijzen zodat zij in hun enthousiasme niet proberen de baan van de aarde te verlaten maar luisteren naar het spoor van het woord in heilige geschriften dat hun houvast kan geven zodat zij God kunnen begrijpen en hun leven naar behoren kunnen organiseren.

 

Hölderlin is duidelijk bang voor het geweld en voor de uitwassen van de Franse Revolutie. Hij is bang dat als de mensen op eigen initiatief hun bestaan willen vorm geven zij ofwel zullen zwichten voor hun doodsdrift en de destructieve krachten die in hen zitten, ofwel overmoedig zullen worden en de verantwoordelijkheid voor de aarde en de beschaving die daarop is gebaseerd zullen verwaarlozen en vergeten. Daarom is hij zo blij met met Herakles, Dionysos en Christus als bemiddelende figuren, bemiddelend tussen God de vader en de mensen, maar ook bemiddelend tussen de mensen onderling door hun aansporing de juiste maat te zoeken en daarnaar te handelen. Ik vind het steeds weer verbluffend om te zien hoe actueel Hölderlin is en hoe veel zijn werk kan betekenen voor mensen die zich voor ecologie en spiritualiteit interesseren.

 

 

 

De juiste maat

 

Geschiedenis is bij Hölderlin de geschiedenis van het zoeken naar de juiste maat. Dit zoeken is altijd moeilijk, maar voor ons moeilijker dan ooit omdat God en de goden steeds minder in ons leven zijn gaan ingrijpen en ons steeds meer aan ons lot hebben overgelaten of liever aan een toestand waarin het lot nog nauwelijks een rol speelt, juist omdat het heilige ons heeft verlaten. Hölderlin neemt de geschiedenis door vanuit dit criterium en denkt er over na in zijn filosofische geschriften en vooral in zijn commentaren op Sophokles en Pindarus. Uiteindelijk slaagt de mens er niet in de juiste maat te vinden. Hölderlin heeft daaronder zeer geleden.

 

Der Einzige is een gedicht in drie versies die alle drie onvoltooid zijn gebleven en beginnen met harmonieus doorgecomponeerde classicistische poëzie. Zodra het echter over Dionysos gaat, begint de tekst te haperen, zijn er lacunes en begint de dichter te stotteren. Dionysos is voor Hölderlin wel meer nog dan Christus een komende god, een god wiens terugkeer Hölderlin nauwelijks af kan wachten en voor wie hij probeert met zijn gedichten de weg korter en gemakkelijker te maken. Poëzie als brug voor ons naar God, maar ook als brug voor God naar ons. Het specifiek christelijke aan Christus, de eucharistie, wordt sterk vanuit en met het oog op Dionysos geïnterpreteerd, en dat geldt ook voor de terugkeer van de Messias. Het specifiek christelijke komt in dit gedicht zeker te kort. Er is bijvoorbeeld geen kruistheologie. Christus is hier echt de laatste van de Griekse goden. Na hem verdwijnt het heilige op aarde, beginnen de aanvechtingen van het nihilisme en wordt de wereld in rouw ondergedompeld.

 

 

 

L’Unique als kunstenaarsboek

 

Wat heeft André du Bouchet als dichter en vertaler, wat heeft Bram van Velde als schilder en lithograaf bewogen juist dit gedicht uit te kiezen? Op het eerste oog is het duidelijk wat du Bouchet aantrekt. Hij houdt van stotteren en in zijn ogen is dat de essentie van de poëzie, en er is wel niemand die zoveel stottert en stamelt als Hölderlin. Alleen weten wij niet of dat Hölderlins bedoeling is geweest. Het kan ook zijn dat in de spaties en de stukken wit in de typografie van Hölderlins gedicht eigenlijk dezelfde volmaakte poëzie had moeten staan als aan het begin van Der Einzige. Opzet of niet, feit is dat het wit in Hölderlins opmaak de woorden een ongekende kracht geeft en ervoor zorgt dat zij de dingen ogenblikkelijk present stellen. Dat gebeurt ook in de poëzie van du Bouchet, en in de typografie van zijn vertaling dikt hij dat nog een beetje aan door na het woord woestijn flink wat wit te geven. Het wit op de pagina correspondeert met de woestijn als plaats van de waardenleegte en zorgt ervoor dat die leegte wordt opgewaardeerd.

 

Bram van Velde moet dit gedicht als muziek in de oren hebben geklonken, zijn gereformeerde achtergrond zal hem daarbij zeker hebben geholpen. Bovendien  is hij net zoals Hölderlin doordrongen van het onvermogen van de kunstenaar datgene waarover het gaat in de kunst tot uitdrukking te brengen bij gelijktijdige drang door te blijven gaan met het te proberen.

 

De boeken die Bram van Velde heeft geïllustreerd zijn behalve door Hölderlin geschreven door auteurs als Beckett, Blanchot, du Bouchet en Juliet. Overeenkomst is telkens het besef dat kunst en literatuur op zoek zijn naar iets dat zij uiteindelijk niet kunnen benoemen en dat in zijn onbenoembaarheid de motor is van de scheppingsdrang. Hier heerst net zoals bij Hölderlin een groot vraagteken bij de autonomie van het subject bij gelijktijdig besef dat het ik sterk genoeg moet zijn om te kunnen blijven scheppen en overeind te kunnen blijven in een vijandige wereld waarin men overspoeld dreigt te raken door krachten die men niet of nauwelijks kan beheersen. Daarmee is niet alleen de banaliteit van alledag bedoeld, maar ook de echt metafysische intentie van wat in deze kunst in beeld wordt gebracht. Bram van Veldes lithos’s leggen getuigenis af van deze spanning en voeren die net als in het wit van de tekst op door ook in de litho’s sommige plekken wit te laten en van betekenis te laten zijn. Anders dan bij du Bouchet functioneert dit wit echter niet om de woorden met betekenis op te laden maar om uitzicht te bieden op het absolute. Al met al ook hier een grote overeenkomst met Hölderlin, een echte geestverwantschap.

 

 

 

Een laatste bespiegeling tot slot. Voor Hölderlin is de geschiedenis de geschiedenis van de vergeestelijking en van de zoektocht naar de juiste maat. Hebben vergeestelijking en maatvoering iets van doen met het abstractieproces in de moderne kunst? Mondriaan en Bram van Velde spelen hierin een belangrijke rol. Mondriaan is weliswaar een duidelijk voorbeeld van een eigenmachtig zelfontwerp en van de wil tot macht als kunst. Bram van Velde staat aan de andere kant van het spectrum. Hij neemt geen avant-gardepositie in, maar trekt zich terug op zichzelf en wil anders dan Mondriaan zijn kunst niet aan de wereld opleggen. Maar toch gaat het om twee radicale posities in het abstractieproces, om het ontwikkelen van een maat op basis waarvan abstractie mogelijk is en overtuigend wordt. Ik eindig met een open vraag. Wat heeft abstracte kunst te maken met wat Hölderlin onder vergeestelijking verstaat en ligt in Hölderlins werk de oorsprong van de moderne kunst, niet alleen van haar theorie en van haar legitimatie, maar ook van haar praktijk en van wat zij in de kern voortdurend doet en is blijven doen?

 

 

 

Bibliografie

 

 

 

L’Unique

 

Friedrich Hölderlin: L’Unique, vertaald door André du Bouchet met zes litho’s van Bram van Velde, Parijs 1973. Ik heb dit boek eenmaal gezien midden jaren tachtig in een galerie. Voor zover ik weet is dit boek in geen enkele openbare collectie in Nederland aanwezig. Men vindt echter wel soortgelijke kunstenaarsboeken, daaronder ook van Bram van Velde, in de Collectie Koopman van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

 

Derrière le miroir 207|1974: Cinq livres gravés besteedt aandacht aan L’Unique door over een hele pagina één van de litho’s af te beelden, één pagina van de vertaling en de verantwoording in haar geheel af te drukken.

 

Plaatjes van de zes litho’s op de website www.bramvanvelde.info. De illustratie is afkomstig van deze website (nummer 98).

 

 

 

André du Bouchet

 

Wiebke Amthor: Schneegespräche an gastlichen Tischen. Wechselseitiges Übersetzen bei Paul Celan und André du Bouchet, Heidelberg 2006.

 

André du Bouchet: Dans la chaleur vacante | Vakante Glut, in Paul Celan: Gesammelte Werke, bezorgd door Beda Allemann e.a., 5 delen, Frankfurt a.M. 1983, deel 4: Übertragungen aus dem Französischen, 165-345.

 

André du Bouchet: Hölderlin aujourd’hui, Hölderlin-Jahrbuch 1969-1970, 76-91 (met Duitse vertaling door Renate Böschenstein Schäfer).

 

André  du Bouchet: Tübingen, le 22 mai 1986, Hölderlin-Jahrbuch 1988-1989, 321-359 (met Duitse vertaling door Renate Böschenstein Schäfer).

 

 

 

Friedrich Hölderlin

 

Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke, bezorgd door Friedrich Beissner e.a., 8 delen in 15 banden, Stuttgart 1943-1985, Grosse Stuttgarter Ausgabe.

 

Friedrich Hölderlin: Sämtliche Werke und Briefe, bezorgd door Jochen Schmidt, Frankfurt a.M. 1992-1994, 3 delen, Deutscher Klassiker Verlag.

 

Jochen Schmidt: Hölderlins geschichtsphilosophische Hymnen Friedensfeier – Der Einzige – Patmos, Darmstadt 1990.

 

 

 

Bram van Velde

 

Samuel Beckett: Das Gleiche nochmals anders. Texte zur bildenden Kunst, bezorgd door Michael Glasmeier en Gaby Hartel, Frankfurt a.M. 2000.

 

Jan Greshoff, Samuel Beckett e.a.: Bram van Velde, ’s-Gravenhage 1989.

 

Charles Juliet: Rencontres avec Bram van Velde, Montpellier 1978.

 

Jacques Putman & Charles Juliet: Bram van Velde, Parijs 1975.

 

De documentaire Wachten van Pat van Boeckel laat Bram van Velde uitvoerig aan het woord over zijn werk.

 

 

 

Dankbetuiging

 

Graag bedank ik Paul van Capelleveen, conservator van de Collectie Koopman bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, voor waardevolle tips en opmerkingen.

 

 

 

Over de auteur

 

Eric Bolle is filosoof en leraar Duits in het voortgezet onderwijs. Recentelijk publiceerde hij bij ASP Editions in Brussel Hölderlin & Heidegger. Een andere aanvang voor de filosofie. Onlangs vertaalde hij Hölderlins stukken over Sophokles en Pindarus met platen van Marcel Wesdorp.

Advertenties