Martin Heidegger over deze website

Fictief gesprek met Martin Heidegger over deze website. Heidegger kritisiert mijn opvatting over het absolute als versmelten met de wereld, en stelt daar zijn eigen opvatting van het Seyn tegenover. Maar hij moedigt mij ook aan door te gaan met mijn Hölderlin-onderzoek en vraagt mij daarbij speciale aandacht te besteden aan de rol van Hölderlin in de Schwarze Hefte.

I Nederland in de klassieke Duitse literatuur en filosofie

II De andere aanvang voorbij het absolute

III Empedokles tussen eerste en andere aanvang

IV Zijnsverlatenheid en cultuurbeleid

Untitled Drawing 2015

I Nederland in de klassieke Duitse literatuur en filosofie

Eric Bolle

Herr Professor Heidegger, ik ben blij dat u met mij wilt spreken en een reactie wilt geven op mijn nieuwe website. Als ik uw werk lees, verander ik helemaal. Ik word een ander mens. Ik word rustig en de dagelijkse beslommeringen verliezen hun impact. Maar de druk wordt niet minder. Integendeel. Door u te lezen ontstaat er nieuwe stress. Ik word door het zijn aangesproken. Enerzijds verdwijnt de prestatiedruk en dat is bevrijdend. Anderzijds ontstaat een nieuwe verplichting: gehoor geven aan het zijn, en dat is belastend.

Gehoor geven en iets met mezelf laten gebeuren is voor mij niet gemakkelijk. Ik ben bang voor controleverlies. Toch is het van het begin af aan voor mij belangrijk geweest bij de filosofiestudie mezelf te laten drijven, zonder doel op pad te gaan en te dwalen met alleen mijn intuïtie als gids.

Drie dingen hebben mij daarbij geïnspireerd: het goede voorbeeld van mijn leraar Duits die in zijn lessen veel aandacht aan filosofie besteedde, de woorden van Michel Foucault in het televisie-interview van Fons Elders met hem en Noam Chomsky, en uw interview met Der Spiegel. Deze drie dingen hebben mij tot de filosofie gebracht. Zij zijn het prilste begin. In dezelfde week waarin u stierf en het interview in Der Spiegel verscheen, begon ik filosofie te studeren. In mei 1976 sprak iedereen over u.

Martin Heidegger

Ik heb uw uitnodiging graag aangenomen. Hoewel ik op radio en televisie ben geweest en een interview heb gegeven aan Der Spiegel ben ik toch erg schuw en mijd ik de publiciteit. Drie dingen waren voor mij doorslaggevend met u te gaan praten: de bijzondere rol van Nederland voor de klassieke Duitse filosofie en literatuur, de receptie van mijn werk in de Lage Landen, en natuurlijk uw website zelf. Ik wil u uitleggen waarom mijn denken voorbij het absolute is en breekt met allerlei dingen die voor u belangrijk lijken te zijn. Hopelijk leert u van mijn kritiek.

Nederland is een belangrijk land voor de klassieke Duitse literatuur en filosofie. Het fungeert als gids naar de vrijheid. Goethe vereerde Egmont, Schiller schreef de geschiedenis van de opstand tegen Spanje. In de ogen van Hegel is het de verdienste van de Hollandse meesters de schilderkunst te hebben bevrijd van de religie, en de waarde van het alledaagse te hebben laten zien. Het alledaagse, gewone dingen in hun zijn en verder niets, dat is echt een Nederlandse uitvinding. Schelling is als enige uit die tijd in Nederland geweest. Hij was ook in uw geboorteplaats Scheveningen en heeft een dag aan het strand doorgebracht. Misschien heeft hij aan het strand wel hetzelfde gevoel van oneindigheid gehad als u.

Ja, Nederland is een belangrijk land voor mij. In de jaren dertig heb ik er een lezing gegeven aan de ISVW, de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Ook kan ik me nog goed herinneren dat Jan Aler me aansluitend in Amsterdam heeft rondgeleid en de schilderijen van Vincent van Gogh heeft laten zien. (Heidegger: Gesamtausgabe, GA 16, 723-724.)

Ik voelde me wel vaak duizelig. Nederland is zo’n weids land. De horizon is veel verder weg dan in het zuiden van Duitsland waar altijd heuvels en bergen zijn. Ik ben geschrokken van de leegte van het Nederlandse landschap en van de enorme afstand tot de hemel. Ik kan me in de laagvlakte niet oriënteren en ben echt iemand van de bossen en de bergen.

E.B.

Bij mij is het precies omgekeerd. Ik voel me opgesloten in midden Europa en krijg het er benauwd. Het is alsof de hemel op me valt en ik geen lucht krijg. Ik ben echt iemand van de zee en het strand.

M.H.

De tweede reden uw uitnodiging aan te nemen is de receptie van mijn werk in Nederland. Ik ben blij met de vertalingen en met de aandacht op de universiteiten en daarbuiten. Tot wat het zal leiden, weet ik nog niet, maar ik weet wel dat men met name in Leiden diep tot mijn denken is doorgedrongen. Ik denk daarbij vooral aan Rob van Dijk, Gerard Visser en Wouter Oudemans. Wat Oudemans over mijn rectoraatsrede schrijft in zijn boek Omertà is vrij van vooroordelen. Oudemans heeft mij echt begrepen.

De derde reden is uw website zelf. Zie ik het goed dat voor u het zijn vooral betekent geheel en al met de wereld samenvallen, en dat u dat boeit bij schrijvers als Hölderlin en Musil?

E.B.

Ja, ik vraag me af wat de andere toestand bij Musil van doen heeft met wat u de andere aanvang noemt, en ik ben geboeid door Hölderlins Empedokles die één wil worden met de natuur door in de Etna te springen. Dat zijn voor mij twee gestalten van het absolute waarover ik niet uitgedacht raakt.

M.H.

Wat Musil betreft kan ik uw vraag niet beantwoorden. Ik ken zijn werk niet. Hölderlins Empedokles is wel iemand die voor mij een belangrijke rol speelt. Ik heb veel over hem geschreven maar heb bijna alles weggegooid. Ik was er niet tevreden mee. (GA 75, 404)

II De andere aanvang voorbij het absolute

M.H.

Maar laten we bij het begin beginnen en proberen systematisch te werk te gaan. Beginnen we bij het begin, bij onszelf, bij het statuut van de denker. U praat over opluchting en stress die u ervaart bij het lezen van mijn werk. Opluchting omdat u niet meer hoeft te presteren en succes geen waarde meer is. Stress omdat er een nieuwe taak bij komt: luisteren naar het zijn, het zijn iets met u te laten doen.

Angst voor controleverlies is daarbij is volgens mij heel normaal. Moderne mensen denken in bestanden. De filosofie is een supermarkt geworden waar men naar believen uit kan putten. Dat hoort allemaal bij het westerse denken als metafysica. Alles en iedereen wordt voor alles en iedereen ter beschikking gesteld. Niets en niemand bestaat meer voor zichzelf. Alles wordt materiaal. De zijnden zijn onteigend, zij zijn gedwongen aanwezig te zijn. We zouden moeten proberen onder deze dwang uit te komen en moeten proberen de metafysica te overwinnen.

Sta me toe een stukje van mezelf te citeren om dit duidelijk te maken: “De overwinning van de metafysica is niet een prestatie van denkers die met hun gedachten verder gaan dan de voorstellingswijze van filosofen. De overwinning is de geschiedenis van het zijn (Seyn) tot op het ogenblik waarop het zijn de onteigening van het zijnde terugneemt. De overwinning heeft hier nergens de bijklank van dwang die op iets neerkijkt of het opzij schuift. Het zijnshistorische denken is steeds een passend eerbetoon aan het zijn.” (GA 71, 168)

De denker verneemt het zijn. Maar het zijn is een dubbelzinnig begrip. Daarom hanteer ik daarvoor twee verschillende spellingen. Er is het zijn in de uitnemende zin van dat woord. Het is het aller-oudste maar ook het allernieuwste. Het is de oorsprong vóór de oorsprong en het openbaart zich door zich te verbergen. Voor dit zijn gebruik ik de spelling die rond 1800 gebruikelijk was en die u wel kent van kritische edities van Hölderlin: Seyn.

Dit Seyn onttrekt zich, maar laat in de onttrekking een spoor achter waarin het toestaat het zijn van de zijnden te conceptualiseren en daarmee beheersbaar te maken. Tegelijk worden de zijnden daardoor onteigend. Zij bestaan niet meer voor zichzelf. Dat is de zijndheid, die het mogelijk maakt het zijn te benoemen en in de greep te krijgen als idee, als substantie, als subject, als arbeid en als macht. Allemaal grondbegrippen van de metafysica. Voor dit zijn van de zijnden, voor deze zijndheid gebruik ik de gebruikelijke spelling van zijn: Sein.

Wat ik telkens opnieuw heb geprobeerd is het Seyn achter het Sein opnieuw zichtbaar te maken, te komen tot een andere aanvang. Deze andere aanvang is er ooit geweest en hij is er nog, alleen onzichtbaar. Er komt een ogenblik waarop hij weer zichtbaar wordt. Zolang dat nog niet het geval is, is het onze taak ons te bezinnen, vragen te stellen en te wachten. Het vragen is de vroomheid van het denken.

E.B.

Zou je kunnen zeggen dat de bestanden van de filosofie die je netjes in folie verpakt uit de supermarkt haalt, worden beheerd door intellectuelen? Mensen die begrijpen aan welke denkbeelden de maatschappij behoefte heeft, en die ertoe in staat zijn daarop in te spelen? In Nederland heeft de filosofie een enorme vlucht genomen. In het veelgelezen blad Filosofie Magazine  zie je hoe goed men ertoe in staat is bij iedere situatie passende ideeën te vinden. Er is een ware publieksfilosofie ontstaan.

Dat is de rol van de intellectuelen. Filosofen zijn al verder. Voor hun bestaat de geschiedenis van hun vak niet uit disponibele bestanden. Zij lijden aan het gebrek aan inzicht en samenhang, en proberen oorsprong en totaliteit van het zijn in woorden te vangen. Daarbij slagen zij er wel in het Sein te benoemen en te doordenken, maar krijgen geen glimp van het Seyn te zien. Zij blijven steken in de zijnsvergetelheid, zoals u dat noemt, ook al hebben zij anders dan de intellectuelen wel een spoor van het zijn te pakken dat altijd in ieder bestand voelbaar blijft.

Het Seyn is dan het exclusieve domein van de denker die wel bereid moet zijn zich in eenzaamheid aan zijn taak te wijden. Want de andere aanvang lijkt mij niet iets dat je kunt delen met anderen. Het is niet iets sociaals. Je kunt er niet over communiceren. Botho Strauss heeft juist om die reden veel sympathie voor u. Hij vindt uw gedichten belangrijk omdat u niet bang bent een geheel eigen taal te gebruiken. Uw gedichten breken met het communicatieve paradigma. (GA 81)

Kunt u iets met dit onderscheid, en misschien ook wel met de verschillende stadia van intellectueel naar filosoof, en van filosoof naar denker?

M.H.

Ik vind dat u te streng oordeelt over de rol van de intellectuelen. Intellectuelen hoeven helemaal niet uit de wereld van de filosofie te komen. Hoofdzaak is dat zij iets met media en journalistiek, iets met meningvorming en debat hebben. Nou is dat zeker niet mijn ding, maar van de praktische filosofie ben ik een groot voorstander. Ik ben Medard Boss nog steeds dankbaar dat ik in Zollikon voor artsen heb kunnen spreken. En ik heb iets met psychiaters. Mijn ideeën over het einde van de filosofie en de opgave van het denken heb ik met het doel geschreven Ludwig Binswanger te eren. (GA16, 620-633) Zo wordt filosofie van betekenis voor het dagelijkse leven en kan zij mensen met psychische problemen helpen. Bovendien kun je best over je eigen vak spreken voor andere disciplines zonder concessies te doen.

Wat mij aan u opvalt, is dat u de verschillen tussen deze activiteiten niet wilt relativeren en het denken nogal absoluut opvat. Het absolute, daar gaat het u om. Nu we de filosofie in haar context in ogenschouw hebben genomen kunnen we een eerste blik werpen op uw website en het centrale thema van het absolute. Opnieuw een citaat uit eigen werk om de meditatie in te leiden:

“Het zijn (Seyn) is voor zover het zich nooit uit het zijnde laat afleiden en zich ook geen voorwaarden laat stellen het onvoorwaardelijke (das Un-bedingte). Het zijn (Seyn) is voor zover het niet door een relatie tot het zijnde is, het niet relatieve en dus het absolute.”(GA 74, 22)

U vindt dus in mij wel degelijk een medestander als het om het absolute gaat. Het Seyn kan niet worden gerelativeerd. Het heeft geen betrekking tot de zijnden zoals het zijn (Sein) en is dus absoluut. Losgemaakt van de metafysica staat het buiten haar machinaties en laat het zich niet in een concept samenvatten of als bestand verpakken.

Maar het Seyn is nu ook weer niet zo absoluut, dat we er geen glimp van op kunnen vangen. Overal liggen sporen, maar ze zijn vaak onzichtbaar (E.B.: Zijn het dan nog wel sporen?) Er zijn immers geen zijnden zonder zijn, en er is geen zijndheid (Sein) zonder Seyn. De onttrekking van het Seyn laat sporen achter. Het belangrijkste spoor is de poëzie van Hölderlin, op wie we later nog zullen terugkomen. Dus:

“De metafysica zou niet de metafysica zijn, dat wil zeggen de waarheid van het zijnde als zodanig, wanneer zij niet uit het zijn (Seyn) zou wezen, want ook de zijndheid blijft van het wezen van het zijn. En daarom hoor je toch overal in de metafysica, wanneer wij daarmee wat meer ervaring hebben, weerklanken van de aanvang. Maar ze zijn omgeïnterpreteerd en verschijnen als het in zich rustende – absolute, onvoorwaardelijke, als oorsprong en principe. En zo maken zij het onmogelijk dat op een andere wijze naar het begin wordt gevraagd dan zij voorschrijven. Maar zelfs in de zijnsvergetelheid van de metafysica waardoor je de waarheid van het zijn (Seyn) en daarin het zijn zelf nooit kunt ervaren, zelfs in de zijnsvergetelheid weest nog het eerstaanvankelijke wezen van het zijn.” (GA 71, 104-105)

Het Seyn is dus voor mij absoluut, maar dit absolute is niet het absolute van de metafysica van het Duitse Idealisme, waartoe u zich zo aangetrokken voelt. Het absolute van de metafysica hindert meer het zicht op het Seyn dan dat zij dat faciliteert. Ook het Duitse Idealisme is getekend door de zijnsvergetelheid, ook al laat het meer dan andere filosofische stromingen een glimp zien van waar het mij om gaat.

Herr Dr. Bolle, u kunt dus kiezen tussen mijn absolute en dat van het Duitse Idealisme, en die keuze is beslissend voor uw verdere weg als filosoof. De stress van deze Entscheidung kan ik u niet besparen.

E.B.

Ik had al zo’n vermoeden dat ons gesprek hierop zou uitlopen.

M.H.

Het samenvallen met de wereld dat u zo boeit aan de Duitse literatuur, deze extase van bijvoorbeeld Hölderlins Hyperion of de trance van Hölderlins Empedokles, bij alle liefde voor Hölderlin, moet ik u er toch op wijzen dat dit een dwaalspoor is. Maar het denken kan niet zonder dwalen, alle Wege sind Holzwege. De kracht van Hölderlin ligt ergens anders, namelijk in zijn late gedichten.

Ik zou het fijn vinden als de mensen eens ophielden Sein und Zeit als mijn hoofdwerk op te vatten. De beste inleiding tot mijn denken is mijn commentaar op Hölderlins hymne Andenken (GA 52).

Houden we als eerste reactie op uw website vast dat het absolute in de zin van één worden met alles wat is niet mijn opvatting van het absolute is, en dat deze ervaring van het absolute het zicht op het Seyn meer belemmert dan stimuleert. De andere aanvang ligt voorbij het absolute.

III Empedokles tussen eerste en andere aanvang

E.B.

Laten we nu wat meer ingaan op Hölderlin. Uw Hölderlin-interpretaties hebben diepe indruk op mij gemaakt en ze hebben mij eigenlijk nooit los gelaten. Ik vind ze het belangrijkste dat u heeft geschreven en vind het jammer dat zij in het debat over uw werk nauwelijks een rol lijken te spelen.

In de jaren tachtig toen ik deze interpretaties voor het eerste onderzocht was het nog goed mogelijk over u te praten met andere Hölderlin-Forscher. De laatste jaren is er echter een kentering opgetreden. Men rekent u niet meer tot de Hölderlin-onderzoekers. In Kreuzers  gezaghebbende Hölderlin-Handbuch wordt u gerekend tot de Hölderlin-receptie, en in de recentelijk verschenen Henrich-Festschrift wordt men niet moe uit te leggen dat Henrich Hölderlin veel beter heeft begrepen dan u, en wordt u bijgezet in de George-Kreis. Wat vindt u daarvan?

M.H.

Jammer, maar niets aan te doen. De Hölderlin-Forschung wil vooral historisch onderzoek en is wars van de zoveelste poging de actualiteit van Hölderlin te laten zien. Die actualiteit is intussen overal in de wereld bekend. Historisch onderzoek is belangrijk en in het geval van Hölderlin zeker van betekenis. Maar ook historisch onderzoek loopt risico’s. Wetenschappelijk onderzoek kan nooit het ongedachte van het Seyn laten zien. Dat geldt niet alleen voor de literatuurwetenschap. Dat geldt voor iedere wetenschap. Wetenschap is weerloos ten aanzien van de zijnsvergetelheid. Maar uiteindelijk denk ik dat het goed is dat de Hölderlin-Forschung zich van mij distantieert. De nieuwe kritische edities, het nauwgezette filologische onderzoek, de steeds zorgvuldiger commentaren, ik vind het fascinerend. Als ik u was zou ik beslist contact met deze vorsers zoeken en hun werk volgen. Dat is zeker te verkiezen boven al die dogmatische Heideggerianen die braaf mijn werk herkauwen maar voor het denken niets in beweging brengen.

E.B.

Ik wil graag terugkomen op Hölderlins Empedokles. Als ik u goed heb begrepen is hij voor u een overgangsfiguur. Hij staat tussen de eerste en de andere aanvang. U schrijft over hem: “De gestalte van deze denker moet zichtbaar worden gemaakt door de teruggang te ontsluiten naar het bestaan (Da-sein) waarop hij gegrondvest is terwijl hij zelf de grond legt, – bestaan dat hij niet alleen maar als denker doorvorst. Uit de ontsluiting van Empedokles wordt het pas mogelijk naar het zijn (Seyn) van de zijnden in het geheel te kijken. Het Seyn fundeert zich in zijn waarheid in het bestaan van Empedokles.” (GA 75, 336)

Als ergens duidelijk wordt wie voor u de beschermheer van het Seyn is, dan wel in deze opmerking over Hölderlins Empedokles. Empedokles was niet alleen denker, maar ook civiel ingenieur en vooral arts. Een echte vertegenwoordiger van de praktische filosofie dus. Hij is de stichter. Niet alleen van een nieuwe politieke orde, maar op de eerste plaats van het zijn zelf. In dezelfde beweging waarin hij het fundament voor het zijn legt wordt zijn bestaan door het zijn gefundeerd. Empedokles is echt in gesprek met het Seyn: hij grondt en wordt gegrond.

M.H.

Toch wil ik hier tot voorzichtigheid manen. Ik ben hier nog steeds niet uit. In ieder geval wordt hier duidelijk dat de roes en de extase van de Totalempfindung die u zo belangrijk lijken voor Empedokles in mijn duiding geen rol spelen. Empedokles moet ver worden gehouden van Schellings intellectuele aanschouwing en andere manieren één te worden met de wereldziel.

Mag ik u een suggestie doen? Onlangs zijn mijn dagboeknotities verschenen uit de jaren dertig en veertig. Daarover is nu een heftige polemiek ontstaan. Veel filosofen worden in beslag genomen door de Schwarze Hefte zoals men ze is gaan noemen. Ik weet dat u wars bent van polemiek en als Nederlander nuchter in de wereld staat. Mag ik u op het hart drukken deze notities te lezen? Ik ben anders bang dat het thema Hölderlin in mijn dagboeken helemaal ondergesneeuwd raakt en dat men zich vastbijt in de dingen die ik in Nazi-Duitsland verkeerd heb gedaan.

E.B.

Dat zal ik doen.

M.H.

Ik reken op u.

IV Zijnsverlatenheid en cultuurbeleid

E.B.

Het is laat geworden. De fles Asbach Uralt is bijna leeg. Is er nog een onderwerp dat u wilt aansnijden of iets dat u wilt zeggen tegen de lezers van mijn website?

M.H.

Ja. Zoals u weet sta ik tweeslachtig in de wereld van de kunst. Enerzijds zie ik een kunstwereld die meer dan welke andere wereld wordt bepaald door de Machenschaft. Met dit woord karakteriseer ik graag de machinaties van ons tijdperk dat misschien wel heel lang gaat duren en waar maar geen einde aan lijkt te komen. Bij de Machenschaft  hoort ook de ideologie van de creativiteit, de opvatting dat alles inclusief de mens zelf maakbaar is.

Kunstenaars spelen een belangrijke rol in de cultus van de creativiteit, zij moeten steeds opnieuw het beeld creëren dat onze maatschappij zowel in sociaal als technologisch opzicht  innovatief is en kan blijven. Maar Machenschaft betekent ook kuiperij en intrige. Kunst en wil tot macht, die horen bij elkaar.

Aan de andere kant denk ik ook dat de kunst het zicht op de andere aanvang vrij kan leggen. Wat dat aangaat  zijn mijn verwachtingen hoog gespannen. Ik ben dan ook een trouw museumbezoeker, een liefhebber van van Gogh, Cezanne, Klee en Matisse (GA 81, 122). Mijn samenwerking met Chillida betekent veel voor mij en heeft me lucht gegeven. (GA 13, 203-210 en GA 16, 696)

Daarom wil ik u en uw lezers tot slot de volgende vraag stellen: “De bezinning op het ogenblik waarop het lot van de kunst verkeert. Is de kunst nog noodzakelijk, dat wil zeggen ontspruit zij aan een nood? Zijn wij nog van zins en sterk genoeg een dergelijke nood te ervaren en te doorstaan? De nood van de vlucht van de goden, van de zijnsverlatenheid? Alleen wanneer al het wezenlijke deze bezinning tot doel heeft, heeft het cultuurbedrijf nog zin en bestaansrecht.” (GA 74, 205)

E.B.

Herr Professor Heidegger, ich danke Ihnen für dieses Gespräch.

Graag dank ik Marcel Wesdorp voor de toestemming een tekening van hem te reproduceren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s