Schelling en Heidegger


Recensie van Emilio Carlo Corriero: The Absolute and the Event. Schelling after Heidegger, vertaald door Vanessa di Stefano, Bloomsbury 2020.

Over het wezen van de menselijke vrijheid

Friedrich Schelling (1775-1854) publiceerde Over het wezen van de menselijke vrijheid in 1809. Martin Heidegger (1889-1976) schreef tot drie maal toe een commentaar op deze verhandeling, zo belangrijk vond hij deze denker. (GA 42, 49 en 86)

Wat lezen wij bij Schelling? De mens is niet buiten maar in God. Wat de mens doet hoort bij het leven van God. Schelling vertrekt bij Spinoza en Fichte. Schellings kritiek op Spinoza luidt niet dat hij pantheïst is en daarom niet kan begrijpen wat vrijheid inhoudt. Schellings kritiek op Spinoza is dat hij mechanistisch denkt. De opvatting van de natuur als levend organisme die voor Schelling leidend is, die ontbreekt nog bij Spinoza. Spinoza denkt nog in voorstellingen, Schelling in krachten: “Willen is oer-zijn.” Wie dus op zoek is naar het punt dat mens en natuur met elkaar verbindt – en iedere op ecologie en milieu gerichte filosofie is dat of zou dat moeten zijn, vindt hier bij Schelling het fundament voor zijn of haar denken. Het ik is niet alleen alles – zoals Fichte beweert – , alles is ook ik, en dat betekent dat de mens de natuur tot een hoger plan moet brengen waarop ook aan haar wil recht kan worden gedaan. Uiteindelijk gaat het om dezelfde wil die volgens Schelling grondeloos en eeuwig is, buiten de tijd staat en gericht is op zelfbeaming. Vrijheid kenmerkt zowel de mens als de natuur. (1)

Meer dan andere filosofen is Schelling zich bewust van de chaos als fundament dat aan alle dingen ten grondslag ligt en die altijd hoezeer een orde ook in zijn opzet geslaagd is blijft doorschijnen. Er is een verschil tussen de dingen zoals zij bestaan – hun existentie – en hun fundament, hun grond. De dingen kunnen niet zonder grond, maar moeten zich daaraan ook ontworstelen om zich zelf te kunnen zijn. Schelling heeft een hoge opvatting over verstand en rede, maar ziet ook dat de waanzin daaraan ten grondslag ligt en altijd weer kan doorbreken. Schelling ziet hoe precair ons inzicht en onze organisatie zijn, en beseft (anders dan Hegel) dat er altijd een rest zal blijven waarover wij niets te zeggen hebben. Hierin ligt Schellings respect voor de natuur die volgens hem de grond is van Gods existentie. Hierin ligt ook Schellings zwaarmoedigheid. Want wij moeten de natuur verlossen terwijl dat door die rest maar slechts ten dele mogelijk is. (2)

God is geen morele wereldorde. De mens heeft opgaven, maar is niet overal verantwoordelijk voor. Juist zijn sensibiliteit voor de rest, juist zijn ervaring van de melancholie van de natuur zorgt ervoor dat Schelling niet in de grootste valkuil van de moderniteit valt, namelijk de dwang alles en iedereen te controleren. Wij leven in een maatschappij die probeert ieder risico uit te bannen en letterlijk alles onder controle te krijgen. Er is wel geen mentaliteit die Schelling zo diepgaand veroordeelt. Het kwaad, dat is dat de mens de condities waaronder hij bestaat zelf in de hand wil krijgen. Daarmee wordt iedere vrijheid onmogelijk. Schelling ziet heel goed hoe groot het gevaar is dat hier van uitgaat. Het kwaad schuilt in de grond. Het is het principe van voortbestaan en overleven, van het ik om elke prijs, van het doorzetten van het particuliere. Bestaan (existentie) is zonder een dergelijke grond helemaal niet mogelijk. Het kwaad hoort er gewoon bij. Maar wanneer het universeel probeert te worden en niet wordt geremd door de algemene wil tot liefde, ja dan is het eind zoek. Het gaat erom dat iedereen zijn aparte wil in overeenstemming brengt met de algemene. Om dat te kunnen doen moet de mens zijn levensangst overwinnen en leren begrijpen dat hij niet met zichzelf kan samenvallen. De mens staat niet in het centrum. De mens is of hij dat nu wil of niet een ex-centrisch wezen. Eigenheid en zelfzucht maken hem alleen maar banger en staan zijn vrijheid in de weg.

Het is niet het egoïsme op zich, het is niet de drang tot zelfbehoud als zodanig die slecht zijn. Het is dat men daar verder niet over nadenkt en vrijheid te beperkt invult. De mens is zeer wel tot het goede in staat en weet ook perfect wat dat inhoudt. Verstand en rede laten ons niet in de steek. Het probleem is dat men denkt dat het ik alles is maar niet wil zien dat alles ook ik is. En deze wording van alles tot ik, deze transformatie van de natuur tot vrijheid, daar ligt volgens Schelling de eigenlijke opgave. Daar moet de mens aan werken.

Wollen ist Urseyn

Voor Heidegger is de belangrijkste zin: Wollen ist Urseyn. Schelling en Nietzsche zijn de grote denkers van de wil, van de macht en van de wil tot macht. In de ogen van Heidegger ontwerpt Schelling net zoals Nietzsche een wilsmetafysica die de moderne subjectiviteit bekroont en aan de basis van het technische tijdperk staat. Dit technologische denken (Gestell) is wat Heidegger achter zich wil laten door zich te concentreren op een andere aanvang. De filosoof Emilio Carlo Corriero (1978) uit Turijn deelt deze intentie met Heidegger, alleen kan hij niet met Heideggers kritiek op deze twee andere filosofen mee gaan. Wij beperken ons hier tot Schelling.

Schelling zegt volgens Corriero hetzelfde of min of meer hetzelfde als Heidegger, alleen spreekt Schelling nog de taal van het Duitse Idealisme waardoor men dat niet ziet. Om zijn stelling te bewijzen komt hij met citaten waarin beide denkers op elkaar lijken. Mijn vraag aan Corriero is daarbij of hij wel voldoende rekening houdt met Heideggers opmerking dat de door Heidegger gezochte andere aanvang dubbelgangers heeft in de eerste aanvang, in de geschiedenis van de westerse metafysica zoals wij die nu kennen en dus ook bij Schelling.

Schelling is volgens Corriero post-heideggeriaans. Bij Schelling is geen sprake van onto-theologie of wilsmetafysica. Het door Heidegger veel geciteerde Wollen ist Urseyn is misleidend. Het gaat volgens Corriero niet om wilsmetafysica maar om een exces dat niet kan worden verteerd als vrij en absoluut principe van het zijn. Ontologisch exces, dat is Corrieros vertaling van der nie aufgehende Rest. (2) Wollen ist Urseyn slaat anders dan Heidegger denkt niet op het zijn maar op het voorpredicatieve Ursein, op de grondeloosheid. Deze antepredicatieve grondeloosheid is het werkelijke thema van Schelling, de indifferentie als absolute werkelijkheid. Van zijnsvergetelheid kan geen sprake zijn. Het gaat hier om het onuitputtelijke worden van het zijn, vrij van connotaties. Net zoals Heidegger brengt Schelling de vergeten oorsprong opnieuw voor het voetlicht en bestrijdt hij het nihilisme van de zijnsvergetelheid in een levend systeem.

Corriero ziet heel goed dat in het eerste van Heideggers drie Schelling-commentaren  (GA 86 1927/28) Wollen ist Urseyn nog niet voorkomt. Wilsmetafysica en zijnsgeschiedenis spelen hier nog geen rol. Er is daar meer aandacht voor de Ungrund, Heidegger staat hier dichterbij Corriero dan in de andere commentaren. 

Das Absolute und das Ereignis

Heidegger beschouwt de metafysica als onto-theologie. Is dat bij Schelling ook zo? Corriero vindt van niet. Want als het er op aan komt identificeert Schelling God niet met het absolute. God en het absolute zijn niet hetzelfde. In dit citaat uit Über die Natur der Philosophie als Wissenschaft (1821) I|9, 217-218 geeft Schelling deze precisering van wat hij onder het absolute verstaat: “Hier moet al het eindige, alles wat nog een zijnde is, worden verlaten, de laatste aanhankelijkheid verdwijnen; hier moet men alles laten – niet alleen, zoals men zegt, vrouw en kind, maar alles, wat slechts is, zelfs God, want ook God is vanuit dit standpunt slechts een zijnde. Hier waar wij het begrip God voor het eerst vermelden, kunnen wij wat ik eerder heb besproken aan hem als hoogste voorbeeld tonen. Wij zeiden eerder: er is niets dat het absolute subject niet zou zijn, en er is niets dat dat subject wel zou zijn. Het absolute subject is namelijk niet niet God, en het is toch ook niet God, het is ook dat, wat niet God is. Het is dus in zover boven God, en wanneer zelfs één van de voortreffelijkste mystici in vroeger tijden heeft gewaagd van een bovengodheid te spreken, dan zal men dat ook aan ons toestaan, en het wordt hier uitdrukkelijk opgemerkt, zodat men het absolute – het absolute subject – niet met God verwisselt. Want dit onderscheid is heel belangrijk. Wanneer je je aan het begin van de waarlijk vrije filosofie wilt stellen, dan moet je zelfs God laten, God laten varen. Hier geldt: wie het wil behouden, die zal het verliezen, en wie het opgeeft, die zal het vinden. Alleen diegene is tot de grond van zichzelf gekomen en heeft de volledige diepte van het leven begrepen, die ooit alles heeft verlaten en zelf door alles werd verlaten, voor wie alles wegzonk, en die met het oneindige alleen heeft verkeerd: een grote stap, die Plato met de dood heeft vergeleken.” Het absolute staat dus boven God of gaat aan God vooraf, is eigenlijk niet benoembaar (voorpredicatief) maar in zijn onbenoembaarheid de hoogste opgave voor de filosoof. Het is het alleroudste (das Unvordenkliche), dat het denken niet in de greep kan krijgen. De vraag naar het absolute is het wezen van de filosofie, dat wat de filosoof tot filosoof maakt. Volgens Corriero ligt hier een belangrijke overeenkomst met Heidegger. Wat Schelling het Absolute noemt, noemt Heidegger volgens hem het Ereignis (Event).

Ereignis. Het Es in Es gibt. Es gibt Sein, es gibt Zeit, (GA 14, 9) is gelijk aan physis is Un-Grund is unvordenkliches Seyn is puur contingent. Het geven in “Es gibt Sein” toont zich als “Schicken und als Geschick von Anwesenheit in ihren epochalen Wandlungen”. (GA 14, 22) Es in es gibt is ontologisch exces is andere aanvang. Es gibt als making it happen. Gift geeft tijd en gaat aan tijd vooraf zoals bij Schelling.

De titelverklaring van dit boek vindt men GA 86, 215 en bij Corriero op pagina 83: Het Ereignis is volgens Heidegger niet hetzelfde als het Absolute, en het gaat ook niet om de tegenstelling tussen eindigheid versus oneindigheid. In het Ereignis wordt het Seyn als Seyn ervaren. In de subjectiviteit van het absolute wordt de zijnsverlatenheid verhuld. Een uitspraak van Heidegger uit de jaren 1941-1943. In de ogen van Corriero een misverstand en een simplificatie waardoor Heidegger zichzelf tot een vorm van mystiek veroordeelt. In de ogen van Corriero is het Ereignis wel gelijk aan het Absolute. Het Absolute is hetzelfde als het Ereignis, maar in de taal van het Duitse Idealisme.

De mens leidt een dubbelleven, hier eindig, daar oneindig en absoluut. Het absolute is volgens Corriero anders dan bij Heidegger niet zijnsverlatenheid maar een residu dat zijn in zijn dynamiek regenereert. Ereignis, het in de tijd gebeuren van zijn als voortdurend ontstaan.  Andere aanvang in het vermoeden van medeweten van de schepping. Ontologisch exces (der nie aufgehende Rest) = Indifferenz = het Absolute als zodanig.

Corriero’s statement in het Heideggeriaans vertaald. Het Absolute = het Ereignis. Het Es in het Es gibt = indifferentie van de Un-grund = het Absolute als zodanig, is het zuiver contingente unvordenkliche zijn of kan daar tenminste mee worden vergeleken. De daad van het geven, van het making it happen kan alleen maar achteraf a posteriori worden verklaard in de dynamiek van het proces dat zich van van Es naar Es gibt ontwikkelt.

Het niets, het ontbreken van een grond en de rest

Voor Corriero is de ongegrondheid van het zijn (das Unvordenkliche) de voornaamste overeenkomst tussen het Absolute bij Schelling en het Ereignis bij Heidegger. Heideggers andere aanvang: zijn vóór de mens en vóór het denken. Niets en ontologisch exces postmetafysisch. Ontologisch exces en absolute vrijheid. Un-Grund, het absolute als zodanig garandeert een onophoudelijke en onuitputtelijke dynamische bron (ressource). Het gaat om een dynamische ontologie, gebaseerd op het niets van de oorspronkelijke vrijheid.

Ek-sistere: abyssal grounding of the non-grounding, of the Un-grund, Wollen.  Angst brengt je van het ontische naar het ontologische. Je voelt  je eigen grondeloosheid en de nietigheid van je bestaan. Wereld verliest iedere betekenis. Metafysische noodzakelijkheid, menselijke grootheid, confrontatie met het niets. Heidegger speelt leentjebuur bij Schelling.

Onvoordenkelijke (alleroudste – ancestrale) ruimte niet in denken oplosbaar dat (om het begrijpelijk te maken) als wil wordt verstaan. Dit is geen metafysisch principe maar de dynamische ontwikkeling van een ontologisch proces. Worden zonder begin. Begin zit steeds in worden zelf. Vandaar oorsprong als ongrond. Ungrond gaat aan onderscheid grond en existentie vooraf. Heidegger over Schellings God: God is grond en existentie. God is worden zonder begin. God is voor alle dualiteit. Oergrond en ongrond, absolute indifferentie. Het absolute zonder predicaat. De dingen zijn er om Gods wezen te openbaren. Het enige predicaat voor het Absolute is predicaatloosheid zonder dat het Absolute niets wordt.

Unvordenklich is Es gibt. Pure contingentie, had net zo goed niet kunnen gebeuren. God had ook kunnen besluiten zich niet te openbaren. Niets als onuitputtelijke bron. Er is niets vóór God: er is een niets voor God. Niets als reserve van het zijn. Heidegger reduceert het oorspronkelijke zijnsconflict tot stadium in de zijnsgeschiedenis. Het zijn geeft zichzelf als Ereignis in de onverbrekelijke band met het niets dat in het verborgene voortduurt in ieder moment van het zijn. “Der Anfang ist das Seyn selbst als Ereignis”. (Corriero 153) Maar dat moet niet worden gelezen als een historisch moment in de tijd. Door het voortdurend meespelen van de negatie en het niets ook ten opzichte van het verleden is altijd een nieuw begin mogelijk. Heidegger herhaalt daarmee de onuitputtelijke dynamiek van Schellings Absolute. Men ziet dit terug in Heideggers opmerkingen over de laatste God als “der andere Anfang unermesslicher Möglichkeiten unserer Geschichte”. (GA 63, 411) (3)

De dubbelgangers. Een vraag aan Corriero

Corriero schreef een spannend boek. Als je van Schelling en Heidegger houdt zul je het in één adem uitlezen. Het betoog is helder gestructureerd en de bewijzen die hij voor zijn stellingen aandraagt zijn overtuigend, maar berusten allemaal op de gedachte dat Schelling nog de taal van het Duitse Idealisme spreekt en daardoor niet ten volle wordt verstaan. Toch kan ik hier definitief nog geen ja of nee tegen zeggen. Het zijn met name deze twee opmerkingen van Heidegger die mij dwars zitten:

“Het zijn (Seyn) is voor zover het zich nooit uit het zijnde laat afleiden en zich ook geen voorwaarden laat stellen het onvoorwaardelijke (das Un-bedingte). Het zijn (Seyn) is voor zover het niet door een relatie tot het zijnde is, het niet relatieve en dus het absolute.” (GA 74, 22)

Voor Schelling moet ieder zijn een zijnde worden, alles moet worden geopenbaard en aan het licht gebracht. Voor Heidegger ligt achter de zijndheid van de zijnden, achter het zijn, nog altijd het Seyn dat zich onttrekt.

“De metafysica zou niet de metafysica zijn, dat wil zeggen de waarheid van het zijnde als zodanig, wanneer zij niet uit het zijn (Seyn) zou wezen, want ook de zijndheid blijft van het wezen van het zijn. En daarom hoor je toch overal in de metafysica, wanneer wij daarmee wat meer ervaring hebben, weerklanken van de aanvang. Maar ze zijn omgeïnterpreteerd en verschijnen als het in zich rustende – absolute, onvoorwaardelijke, als oorsprong en principe. En zo maken zij het onmogelijk dat op een andere wijze naar het begin wordt gevraagd dan zij voorschrijven. Maar zelfs in de zijnsvergetelheid van de metafysica waardoor je de waarheid van het zijn (Seyn) en daarin het zijn zelf nooit kunt ervaren, zelfs in de zijnsvergetelheid weest nog het eerstaanvankelijke wezen van het zijn.” (GA 71, 104-105)

Heidegger verstaat dus iets anders onder het absolute dan Schelling. Bovendien is er sprake van dubbelgangers wanneer je de eerste en de andere aanvang met elkaar vergelijkt. Heeft Corriero zich dit gerealiseerd? Hij citeert deze passages in ieder geval niet. Hier lijkt mij meer onderzoek aangewezen.

Een aanvulling op Corriero. De taxichaufeur in Berlijn

In één van zijn commentaren op Schelling (GA 42 1936) wijst Heidegger erop dat wij niet beschikken over criteria om Schellings vrijheidsschrift te beoordelen, laat staan haar op een scheppende manier te overwinnen. Ook Schelling zelf kan dat niet. Schelling stelt met deze verhandeling nieuwe maatstaven.

Schelling ziet volgens Heidegger het menselijk bestaan als bevrijding tot een op zichzelf gefundeerde bemachtiging van het zijn. De wil het zijn als geheel in een beheersende structuur tot leidend weten te verheffen. Wil tot vrijelijk beschikken over het zijn in zijn structuur. Geldt voor de moderniteit in het algemeen, en impliciet ook voor Schelling. Maar klopt dat? Schelling heeft het juist over de begrenzing van de rede door de nie aufgehende Rest. De rede moet een stap opzij doen (Extase) om het absolute aan zet te kunnen laten komen. De rede moet God laten (lassen) omdat zij hem anders tot object maakt terwijl Hij toch subject is.

De mens is geen studie- of waarnemingsobject, geen onderwerp van wetenschappelijk onderzoek (sociologie en psychologie) maar doorleeft toppen en dalen, ware afgronden van het zijn en ziet het verschrikkelijke van de godheid, de levensangst van alle schepselen, de treurnis van al het geschapen scheppen, het kwaad en de wil tot de liefde.

In een ander commentaar (GA 49, 1941-1943) verwijst Heidegger dan weer naar Sein und Zeit. Heidegger vertrekt bij de mens als Dasein, een zijnde dat het in zijn zijn om dat zijn gaat: Seinsverständnis. Schelling vertrekt bij het ik als principe van de filosofie. Alles is subject, alles zegt ik en is aangelegd op vrijheid. In de ogen van Heidegger (niet in de ogen van Corriero) zijn dat totaal verschillende dingen. Schellings existentiebegrip heeft geen relatie tot Sein und Zeit, vindt Heidegger. Dat moet je daar helemaal los van zien. Existeren betekent bij Schelling zich openbaren. “Nicht das Ich, sondern das Da-sein”. (GA 49, 161) Bij Heidegger geworpenheid in plaats van daad. Bij Schelling het wezen van de mens is zijn eigen daad. Daarmee insisteert Heidegger op Wollen ist Urseyn als de voornaamste stelregel van Schellings metafysica.

Heidegger citeert in dit commentaar de uitspraak van een Berlijnse taxichauffeur, die in alle ernst zegt: “Adolf weet het, God vermoedt het, en jou gaat het niets aan.” (GA 49, 122) Commentaar Heidegger: Vollendung der abendländischen Metaphysik, betere Nietzsche-interpretatie dan de volledige wetenschappelijke literatuur over hem. In relatie tot Schelling: wij denken nog absoluter dan deze absolute metafysica, nog subjectiever, nog willender. Bij mij roept deze opmerking grote ergernis op. Ik kan hier niet in meegaan. Zij doet mij denken aan de boektitel van Lukacs: Die Zerstörung der Vernunft. Der Weg des Irrationalismus von Schelling zu Hitler. Maar Schelling verwoest de rede niet, hij geeft haar grenzen aan of liever de rede geeft bij hem zelf haar eigen grenzen aan en leert zich bescheiden op te stellen (Ekstase, Gelassenheit). Zij verlaat haar totaliteitsaanspraak, hetgeen inderdaad tot een crisis van de rede en daarmee tot een crisis van onze cultuur leidt (vgl. Massimo Cacciari – overigens een filosoof die zich vierkant achter Corriero opstelt).

Anders dan Hitler gaat het Schelling maar om één ding: vrijheid! Maar op die vrijheid krijgen wij pas zicht wanneer de rede een stap opzij zet, dat is Schelling! Geen liberale opvatting, geen liberalisme. Geen Luther, geen Erasmus. Vrijheid geen eigenschap van de mens, mens eigendom van de vrijheid. Heidegger ziet dat in 1936 nog heel goed (GA 42) maar slaat in 1942 (GA 49) met zijn taxichauffeur een andere weg in. De afkeer van de geschiedenis van de metafysica die wordt bekroond door het nationaalsocialisme zit kennelijk zo diep dat Heidegger Schelling prijsgeeft en alleen zijn eigen denken over de andere aanvang in de Seynsgeschichtliche Abhandlungen als enig mogelijke alternatief ziet. (4) Heidegger brengt daarmee zijn eigen denken in een concurrentiepositie ten opzichte van Schelling. Het is óf Heidegger óf Schelling. Dat is strijdig met eerdere opmerkingen van Heidegger dat wij niet over criteria zouden beschikken om Schellings denken te beoordelen. En ja… dat brengt mij toch ook weer dichter bij Corriero en vergroot mijn sympathie voor diens standpunt.

Noten

1.

F.W.J. Schelling: Over het wezen van de menselijke vrijheid. Vertaling, inleiding en annotaties Frans Ruiter en Paul Ziche. Boom Grote Klassieken, Amsterdam 2022, 56: “Willen is oer-zijn, en hierop zijn alle bijbehorende predicaten van toepassing: grondeloosheid, eeuwigheid, onafhankelijkheid van de tijd, zelfaffirmatie. De hele filosofie streeft er alleen maar naar dit hoogste begrip te vinden.”

2.

T.a.p. 63-64: “Na de eeuwige daad van de zelfopenbaring is namelijk alles in de wereld, zoals we die nu aanschouwen, regel, orde en vorm. Maar de wanorde ligt nog altijd in de grond, alsof die eens weer zou kunnen doorbreken, en nergens lijkt het als zouden orde en vorm het oorspronkelijke zijn; het is eerder alsof een aanvankelijke wanorde tot orde gebracht is. Dit is aan de dingen de ongrijpbare basis van de realiteit, de nooit verdwijnende rest, dat wat met de grootste inspanning niet in verstand kan opgaan, maar eeuwig in de grond blijft. Uit dit verstandeloze is in eigenlijke zin het verstand geboren. Zonder dit voorafgaande donker is er geen realiteit van de schepping; duisternis is haar noodzakelijke erfdeel.” Zie ook Eric Bolle: De voor altijd onoplosbare rest op zijn website Helden van de geest.

3.

Zie De laatste God elders op deze website (Het Absolute).

4.

Zie De andere aanvang en Heidegger en het Absolute elders op deze website (Het Absolute).

Over de auteur

Eric Bolle publiceerde negen artikelen over Schelling op zijn website Helden van de Geest.

Met dank aan Alice Horsten.